Press "Enter" to skip to content

Van de olifant en de muis

Ontwerpen is een vorm van organiseren, van orde scheppen in de chaos van eisen, wensen, regels en verlangens van betrokkenen. Daarbij staan de ontwerper allerlei gereedschappen ter beschikking. Een ervan — en misschien wel mijn favoriete — is het begrippenpaar.

Het begrippenpaar is eigenijk iets voor kleine kinderen. Die vertellen we immers graag over de wereld aan de hand van simpele tegenstellingen: de olifant is groot en de muis is klein, de nacht is donker en de dag is licht. Onze eerste kinderboeken leggen ons dat haarfijn uit. Later, als volwassenen zijn we niet meer zo snel geneigd om in zulke simpele tegenstellingen te denken. De nuance is ons liever dan het contrast. Dat neemt niet weg dat wanneer de complexiteit ons echt boven het hoofd groeit en we greep op bepaalde materie willen krijgen, het antagonisme — ondanks z’n simplisme — nog altijd een dankbaar middel is om de gedachten te ordenen.

In de architectuurtheorie is het ongetwijfeld vaker gebruikt, maar ik kwam het begrippenpaar voor het eerst tegen in het werk van Aldo van Eyck. Tweelingfenomenen noemde hij ze, complementaire eigenschappen die elkaar in balans houden en dankzij het contrast beide sterker tot hun recht komen. Groot/klein, open/gesloten, hoog/laag, binnen/buiten. Van Eyck gebruikt deze begrippen niet om het ene boven het andere te verkiezen, maar om aan te duiden dat beide eigenschappen tegelijkertijd kunnen bestaan in een ruimtelijk ontwerp. Voor ontwerpers biedt het tweelingfenomeen een vrij interpreteerbaar instrument om ruimtelijke rijkdom te beschrijven en te creëren. Dat is ontzettend prettig, maar tegelijkertijd wat vaag. Het hoge abstractieniveau van deze begrippen is immers toepasbaar op ieders individuele interpretatie en daarmee lastig concreet te maken.

Een stuk specifieker zijn de recente begrippenparen van de Vlaamse stedenbouwkundige Marcel Smets. Zijn publicatie Fundamenten van het Stadsontwerp (2020) is een prachtig uitgegeven kleinood waarin Smets enkele kerngedachten beschrijft uit zijn veertig jaar ervaring in het vak. De inhoudsopgave bestaat uit twintig stedenbouwkundige antagonismen, zoals straat/weg,stroom/luwte en lint/tros. Net als de begrippenparen van Aldo van Eyck zijn die van Smets niet noodzakelijkerwijs met elkaar in oppositie, maar kunnen complementair worden gebruikt om bestaande plekken te analyseren of nieuwe plekken te ontwerpen. In korte passages, zo rijk van taal als alleen een Vlaming dat kan, beschrijft Smets zijn morfologische typen aan de hand van voorbeelden uit zijn eigen ervaring of uit de geschiedenis van de stedenbouw. Een weg is louter een verbinding, maar een straat is een plek met bestemmingen. Een burcht is verbonden met het omliggende stedelijk weefsel, maar een paleis sluit zich af van de omgeving. Daarbij zijn de heldere conceptuele tekeningen van Heinrich Altenmüller een waardevolle bijdrage die de materie ook voor de leek toegankelijk maken, bijna net zo toegankelijk als een kinderboek.

Waar de morfologische beschrijvingen van Smets fascineren maar misschien niet heel erg verbazen, vormen zijn laatste zeven Fundamenten een ware verrijking voor het vak. Met de daarin benoemde begrippen adresseert Smets en passant een aantal gewetenskwesties voor de hedendaagse ontwerper. Fundament 16: Creator/curator: wat voor positie neem je in binnen het vak? Fundament 19: groei/verbetering. Is groei een voorwaarde voor vooruitgang? En wanneer is groei nog gezond en duurzaam en wanneer niet meer? Maar het mooiste Fundament is het laatste: herinnering/vernieuwing. Met veel compassie beschrijft Smets de verantwoordelijkheid van de ontwerper om voorzichtig om te gaan met de transformatie van de bestaande omgeving, met de plekken waar herinneringen van bewoners zich hebben gevormd. Want ‘waardeloos geachte constructies kunnen voor hun bewoners onvermoed dierbaar zijn’. Herinnering hoeft vernieuwing niet in de weg te staan, maar een ‘zinvolle vernieuwing integreert herinnering.’

Zo roepen de begrippenparen van Smets op tot een veelzijdige benadering van de stedenbouw, die tot uiting komt in het ruimtelijke én het sociale domein, in het artistieke en het maatschappelijke. Niets aan deze begrippenparen is platgeslagen of simplistisch, maar ze bieden een heldere én genuanceerde blik op de stad. Smets snijdt kwesties aan die we ons allemaal moeten aantrekken wanneer we ons afvragen wat een goede toekomst is voor de stad.

Op 21 november 2022 geeft Marcel Smets een lezing in Architectuurcentrum Eindhoven in de serie Gezonde Verdichting die werd samengesteld door schrijver dezes.

Afbeelding: Heinrich Altenmüller uit besproken boek