Press "Enter" to skip to content

Kinetisch geluk

Deze column is geschreven op uitnodiging van de digitale Volkskrant in februari 2022.

Omdat ik werk in de stad waar ik woon, behoort autorijden niet tot mijn dagelijks routine. De spits is geen onderdeel van mijn ochtendritueel. En juist omdat ik er zelden kom, vind ik snelwegen leuk. Files, tankstations en omleidingen zijn geen alledaagse hindernissen maar excentrieke incidenten verbonden aan plezierige gelegenheden: familiebezoek, vakanties of een ver feestje.

Ik heb zelfs een lievelingssnelweg: de paar kilometer tussen het Prins Clausplein en Delft-Zuid. Je moet goed opletten: links invoegen en daarna al ritsend – met invoegend verkeer van rechts – via een scherpe bocht de A13 opdraaien. Twintig jaar geleden verhuisde ik via deze route naar mijn studentenkamer en sindsdien stapelen de herinneringen aan dat kleine stukje asfalt zich met de jaren op. De vriendjes naast wie ik reed, de eerste (en enige) botsing, mijn oplettende dochter die een auto van rechts ziet aankomen. Aan deze bochten ben ik op mysterieuze wijze gehecht.

De snelweg als een plek om van te houden, kan dat eigenlijk wel? Er schuilt in ieder geval een grote romantiek in de anonieme verplaatsing op hoge snelheid, het tussenlandschap en de reis naar onbekende bestemmingen. Of zoals Hanna Bervoets haar hoofdpersoon Merel laat wegdromen in de roman Alles wat er was: ‘Ik, alleen in mijn auto, glijdend door het donker, langs wegrestaurants en lichtbakken op palen: gele McDonalds’s-bogen, rode Texacologo’s en honderdduizend lampjes in snoeren langs de weg gelegd.’ Juist, dat gevoel.

De verplaatsing op hoge snelheid is een tamelijk recent verschijnsel in de geschiedenis van de mens. Huizen, tempels en marktplaatsen ontwerpen we al vele duizenden jaren. Maar snelwegontwerp heeft een relatief korte geschiedenis. Via de Duitse Autobahn en de Amerikaanse Parkway kwamen in de tweede helft van de twintigste eeuw ook in Nederland de meest zwierige curves en flyovers te liggen; diabolische snelwegen, zoals architect Wilfried van Winden ze noemt in zijn gelijknamige boek. Een genot voor wie er schoonheid in kan zien.

Wat kan de beweging op hoge snelheid betekenen voor de ervaring van ruimte? Is dat niet een ontwerpthema dat veel studie verdient? Architect Francine Houben deed daartoe een poging toen zij twintig jaar geleden als curator van de eerste Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR) de term ‘mobiliteitsesthetiek’ muntte. Een prachtig onderwerp waar we helaas weinig meer van horen.

Wellicht heeft dat iets te maken met onze ambivalente houding ten opzichte van de auto. Want terwijl binnen de stad nauwkeurig wordt gewerkt aan de inpassing van schone alternatieven zoals deelmobiliteit en elektrische fietsen, worden buiten de steden met het grootste gemak stukken asfalt bijgebouwd tussen het groen. Het snelwegenlandschap krijgt weinig aandacht, met als gevolg een verrommeling van het landschap waar bedrijventerreinen en dichte dozen zonder enige aandacht zijn neergekwakt. Voelen we misschien te veel schaamte om van zoiets vervuilends als een autoweg nog iets moois te maken?

Laten we er niet omheen draaien: er wordt te veel auto gereden. We moeten van die dingen af, en zeker in de stad. Maar even een optimistisch scenario: stel dat het lukt op korte termijn om de meeste binnenstedelijke autoverplaatsingen te vervangen door hoogwaardig openbaar vervoer en om fossielvrij personenvervoer te realiseren of zelfs energie op te wekken met elke rijdende auto. Juist dan verdient de verplaatsing op hoge snelheid extra ontwerpaandacht, als toonbeeld van moderniteit en misschien zelfs wel van duurzaamheid.

Heerlijk zwieren door een schitterend vormgegeven landschap. Het kinetisch geluk.