Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Grote plannen, met af en toe een grap

Stedenbouw is demografie. Zonder bevolking geen woonwens, zonder woonwens geen stad, dat weet iedere ruimtelijk ontwerper. Groei (en heel soms krimp) vormt de drijvende kracht achter vrijwel alle ruimtelijke ontwikkelingen: het inrichten van het land, het bouwen van woningen, het aanleggen van infrastructuur en de omgang met water. In de praktijk komt het erop neer dat de ontwerper pas aan het werk kan wanneer zich een concreet vraagstuk aandient van buiten de eigen discipline: iets past niet, ergens moet meer van komen of er moet iets worden verplaatst. Die dienende rol van ruimtelijk ontwerp is moeilijk om te draaien; daar krijg je namelijk geen opdrachten mee. Kritische reflectie op die rol is dan ook voornamelijk voorbehouden aan niet-bouwende theoretici.

Neem nu het werk van de Vlaamse architect Luc Deleu. Al meer dan vijftig jaar houdt hij zich bezig met fundamenteel onderzoek naar ruimtelijke vraagstukken. Vanuit ruimtelijke verbeelding geeft hij sturing aan maatschappelijke opgaven in plaats van te wachten totdat de opgave in de ontwerpwereld is aanbeland. Een van zijn terugkerende onderwerpen is de groeiende wereldbevolking. Met het toenemen van het aantal mensen op aarde, stelt hij, neemt het beschikbare aantal vierkante meters per bewoner ieder jaar af. Dat leidt tot een groeiend voedseltekort. Een oplossingsrichting formuleerde hij in zijn Orbanistisch Manifest, even simpel als absurd: alle beschikbare grond op aarde wordt ingezet voor landbouw en alle mensen gaan op zee wonen. Op 1 miljoen passagiersschepen van elk 40.000 ton, rekende hij uit, zou de hele wereldbevolking kunnen ‘gelogeerd worden’.

Zo’n theoretische verkenning heeft natuurlijk het karakter van een grap, maar wel een zeer intelligente. Natuurlijk zijn er honderden bezwaren te bedenken tegen het massaal gaan wonen op schepen, maar verzin maar eens een argument tégen het rechtvaardig verdelen van het landbouwareaal op aarde. Rechtvaardige oplossingen voor conflicterende ruimteclaims vragen immers soms om radicale uitspraken die de perspectieven verruimen.

Als theoreticus kun je ludieke verkenningen tot in hun uiterste consequentie doordenken, vrij van verantwoordelijkheden. Maar wat gebeurt er als je in de context van een reële samenleving speculeert over vraagtukken rondom groei en ruimte – met alle belangen, nuances en gevoeligheden van dien? Voor die taak stond de Staatscommissie Demografische ontwikkelingen 2050 in het afgelopen jaar. In opdracht van de Tweede Kamer presenteerde zij half januari haar rapport Gematigde groei; een boekwerk van meer dan vierhonderd pagina’s waarin vrijwel ieder denkbaar (ruimtelijk) aspect van verschillende demografische scenario’s wordt besproken.

De dagen na de presentatie werd in de media met name het thema migratie uitgelicht – niet verrassend in het huidige politieke klimaat. Maar minstens even interessant zijn de constateringen die de commissie doet op andere onderwerpen: ruimte, wonen, natuur, economie. Vergrijzing zal leiden tot scherpere kwaliteitseisen aan de publieke ruimte en tot een grotere vraag naar andere woningtypen (zorgwoningen, collectieven of hofjes), het rapport spreekt zelfs van een noodzaak voor een andere bouwcultuur. Het stijgende water zal vragen om pijnlijke keuzes voor het uitsluiten van bouwlocaties of afstoten van bestaande bebouwing; de energietransitie en de circulaire landbouw vragen méér ruimte dan aardgas in de grond en intensieve akkerbouw. Kortom: conflicterende ruimteclaims zijn talrijk en complex – aldus het rapport.

Wie aankomt bij bladzijde 405, heeft een compleet beeld van alle Nederlandse ruimtelijke ordeningsvraagstukken voor de komende decennia. Nu is de politiek aan zet. Gaan daar de keuzes worden gemaakt waartoe het rapport oproept? Worden ontwerpers massaal door de overheid aan het werk gezet om al deze ruimtelijk vraagstukken te vatten in scenario’s, ontwerpstudies en lange-termijnplannen? In het huidige politieke klimaat heb ik daar eerlijk gezegd geen enkel vertrouwen in.

Hier ligt een taak voor de vakgemeenschap. We kunnen niet wachten totdat de voorliggende opgaven in de ontwerpwereld als opdracht worden geformuleerd – de urgentie is te groot. Er is nood aan het omkeren van de dienende rol van ontwerpers, aan eigen initiatief van theoretici, aan verbeeldingskracht, aan schetsen die uiterste consequenties verkennen, perspectieven verschuiven en de realiteit oprekken. Er is nood aan kritisch engagement, geïnspireerd op het werk van vakgenoten als Luc Deleu. Meer ontwerpkracht, meer reflectie en meer speculatieve oplossingsrichtingen, om al die abstracte scenario’s bespreekbaar te maken en het publieke debat over de ruimtelijke ordening van Nederland richting te geven. Grote plannen, met af en toe een grap.

Beeld: Luc Deleu, Mobile Medium University: de hele universiteit van Antwerpen op een paar vrachtschepen bron beeld