Press "Enter" to skip to content

Flex of fix?

Omdat de woningmarkt overkookt, het aantal acute woningzoekenden voortdurend stijgt en het reguliere planaanbod zich te traag ontwikkelt, staan bestuurders voor een monsterklus: hoe gaan ze de woningmarkt ooit vlottrekken? Steeds vaker valt in deze context een toverwoord dat de meest urgente woningzoekenden zou kunnen helpen: flexwonen. Maar wat is flexwonen precies en welke problemen lost het eigenlijk op?

Flexwonen betekent meestal bouwen met standaard modules via tijdelijke vergunningen in versnelde trajecten. Liefst op een braakliggend terrein dat in afwachting is van ‘echte’ gebiedsontwikkeling. Want daar kan snel en goedkoop in eenvoudige rijen worden gebouwd en op termijn weer geruisloos worden gesloopt.

De intenties zijn mooi: woningen voor statushouders die geen kant op kunnen vanuit de AZC’s. Oekraïeners die niet in de reguliere asielprocedures passen maar wel acuut een huis nodig hebben. Studenten die anders nooit bij hun ouders wegkomen. Gescheiden echtelieden die niet meer onder een dak kunnen wonen. Voor hen is in het reguliere aanbod geen woning te vinden en vormt flexwonen een uitkomst. 

Hiermee lijkt de ideale tussenoplossing voor acuut benodigde vierkante meters te zijn gevonden. En vanwege de veronderstelde tijdelijkheid worden beslissingen over flexwonen dan ook vaak snel genomen. Maar is de noodzaak voor deze woningen wel zo van tijdelijke aard? We zien immers in de Nederlandse woonbehoeften een structurele verschuiving naar kortere bewoning. Het merendeel van de woningzoekenden bestaat uit een breed spectrum van ‘niet-gangbare’ huishoudens: alleenstaanden, samengestelde gezinnen, mensen die pas gescheiden zijn of wachten op gezinshereniging. Dat éne huis waar men de rest van het leven verblijft komt nauwelijks meer voor. Gemiddeld verhuist de Nederlander iedere zeven jaar; statistisch gezien woont het merendeel van de bevolking dus al ‘flex’.

Paradoxaal genoeg is de architectuur van flexwoningen allesbehalve flexibel. Aan standaard bouwunits kan vrijwel niets worden veranderd: woningen zijn niet samen te voegen, te splitsen of van indeling te veranderen. De flexdorpen die we nu bouwen kunnen zich ook niet geleidelijk transformeren tot een levendig onderdeel van de stad. De aanpasbaarheid betreft enkel het bestemmingsplan of de vergunningsprocedure, niet de gebouwde ruimtes. Wat we in de praktijk ‘flexwonen’ noemen is eigenlijk meer een vorm van acuut wonen.

Is dat werkelijk wat de beoogde doelgroepen nodig hebben? Een architectuur van tijdelijkheid die benadrukt dat de situatie zo gauw mogelijk moet worden verlaten? Heeft de flexwoner niet eerder behoefte aan een sterke omgeving om zich aan vast te klampen in die onbestendige periode in z’n leven? Bijvoorbeeld een solide gebouw dat rust uitstraalt, een inspirerend (stedelijk) landschap of publieke voorzieningen als oriëntatiepunten in de samenleving. Werkelijk flexibel bouwen veronderstelt een robuuste drager, vraag dat maar aan John Habraken of Yona Friedman.

Het ziet er naar uit dat de acute woningzoekende of de tijdelijke bewoner een blijvende doelgroep in de woningmarkt zal vormen. Onze huidige flexwoningen zijn misschien een snelle stap in een totaal vastgelopen woningmarkt, maar ze lossen niet de structurele vraag naar flexibele woonconcepten op. En daar moeten we beter over na gaan denken. Want voor je het weet verrijst straks aan de rand van iedere gemeente een gigantisch containerdorp, dat er zomaar een paar decennia blijft staan – simpelweg omdat de noodzaak blijft – maar zonder bewoners enige ruimtelijke kwaliteit te bieden.

De doelgroepen van flexwonen hebben recht op betere oplossingen. Robuuste dragers die de stad versterken en een flexibele inbouw die blijvend kan reageren op de steeds weer wisselende ruimtevraag.

Met dank aan Tim Peeters en Jan Nauta
Beeld: Mariyan Atanasov