Press "Enter" to skip to content

De troost van vreemden*

Na tien maanden lockdown is de thuiswerker een robotversie van zichzelf geworden. De vergadering van 10:00 uur begint exact op de tien met twee nullen, nooit eens een open brug, volle lift of lekke band. Geen toevallige ontmoeting op de gang, geen ‘oja, nu ik je toch zie…’. Lunchpauze betekent drie meter opschuiven naar de keukentafel in plaats van aanschuiven in de lange rij van de kantine. Reistijd is verleden tijd.

De purist zou misschien zeggen: eindelijk louter bezig met de inhoud. Geen geklets en geen gedoe. Het aantal efficiënt gewerkte uren was nog nooit zo hoog. En hoewel ik mezelf graag tot de puristen reken, blijkt tijdens het dagenlange digitale contact toch iets wezenlijks te ontbreken. De minimale zintuiglijke ervaring van het online samenwerken doet de inspiratie opdrogen en de creativiteit verschralen. Kennelijk is er behoefte aan meer dan alleen het communiceren van gedachten: gedeelde fysieke aanwezigheid, een ruimtelijke dimensie, non-verbale uitwisseling.

Om die reden pakte ik The Eyes of the Skin van de Finse architect Juhani Pallasmaa er weer bij. Het architectonisch denken, schreef Pallasmaa in 1996, wordt tegenwoordig gedomineerd door het gezichtsvermogen, terwijl de andere zintuigen worden verwaarloosd – oriëntatie, tastzin, gehoor. Waar volgens Pallasmaa bouwwerken van traditionele culturen direct verbonden waren met een ‘wijsheid van het lichaam’, is onze huidige architectuur vooral gericht op een spetterende ervaring voor de kijker. Ooit, toen mensen nog in holen woonden, waren gehoor en geur de belangrijkste zintuigen. Maar de moderne tijd liet het oog winnen. Traditioneel architectonische begrippen als materialiteit, plasticiteit en tactiliteit raakten ondergeschikt aan het visueel gedreven abstracte en conceptuele denken. Daardoor, stelt Pallasmaa, is architectuur steeds killer en afstandelijker geworden; steeds on-lichamelijker.

Het is een stevige stelling die hij in dat dunne, vriendelijk leesbare boekje poneerde. Maar zo klein als het boek, zo groot is de invloed ervan. Niet alleen bij ‘tactiele’ ontwerpers zoals Peter Zumthor en Steven Holl, maar ook op universiteiten doet The Eyes of the Skin het goed. En tijdens de huidige pandemie lijkt het denken van Pallasmaa precies uit te drukken waar het maandenlang staren naar een beeldscherm toe leidt: een gebrek aan lichamelijke identificatie met de wereld om ons heen. Hoofden verbonden aan koptelefoontjes en MSTeams – de kenniseconomie bereikte de afgelopen maanden z’n optimale vorm. Maar het werkt niet. In de virtuele realiteit is het menselijk apparaat gemankeerd. Als collega’s ergens enthousiast over zijn, voel ik geen golfje positieve energie door de kamer stromen; aan het scherm valt niet af te lezen of iemand zich ongemakkelijk in een gezelschap begeeft, z’n intuïtieve bezwaren inslikt of heimelijk andere belangen heeft.

Van de weeromstuit krijg ik zin in dingen waar ik normaal een hekel aan heb: een stampvolle disco met zwetende lijven en biersmijtend publiek. Of simpelweg de troost van vreemden – een nabijheid, een flirt, een parfum. Want als er één inzicht is dat het massaal thuiswerken heeft gebracht, is het wel dat ook in een hoogopgeleide, kennisgedreven samenleving het menselijk lichaam nog altijd de meetlat is voor de wereld om ons heen. En daar komt het pleidooi van Pallasmaa enorm van pas. Want wat is er behoefte aan rijke, zintuiglijke en vooral gedeelde ervaringen. En aan architectuur om al die componenten ruimtelijk te vieren.

*De titel van deze column is ontleend aan de gelijknamige roman van Ian McEwan.