Press "Enter" to skip to content

Bouwen voor de lang-heid

In mijn jeugd passeerden we iedere zomer de kathedraal van Laon – niet te missen vanaf de snelweg naar het zuiden. Al bijna duizend jaar staat hij daar te schitteren op een heuvel langs de A26 in Noord-Frankrijk. In al die eeuwen is het omringende landschap ingrijpend veranderd. De steenhouwers hadden zich indertijd geen voorstelling kunnen maken van een auto, een elektriciteitsmast of een snelheid van 130 kilometer per uur. Maar dat hun werk na bijna duizend jaar nog altijd dagelijks door vele passanten zou worden bewonderd, is iets wat ze wellicht wel voor ogen hadden. Een kathedraal bouw je immers voor de eeuwigheid.

Wie bouwt er tegenwoordig nog voor de eeuwigheid? We hebben waterwerken die het land voor altijd moeten beschermen, er zijn stratenplannen, snelwegen en metrobuizen waarvan niemand zich kan voorstellen dat ze ooit nog worden weggehaald, en we kennen het poëtische fenomeen van begraafplaatsen met eeuwig grafrecht. Maar voor nieuwe gebouwen lijkt die claim pathetisch of absurd. Een exploitatietermijn van vijftig jaar is zo’n beetje de planningshorizon. Bovendien kleeft er voor de moderne mens iets ingewikkelds aan die eeuwigheidsgedachte: het lijkt meer iets voor dictators, godsdienstwaanzinnigen en andere fanatici. Naar hedendaagse maatstaven waren de middeleeuwse kathedralenbouwers natuurlijk extremisten, met hun heksenverbrandingen, kruistochten en feodale onderdrukking. En was het niet Albert Speer die graag de ruïnes van de toekomst wilde maken? 

In de moderne democratie houden we dan ook meer van tijdelijkheid, een begrip zo lang als het kort is en zo rekbaar als nodig. Tijdelijk staat voor wendbaar, creatief, cirulair en overal hijskranen: Yona Friedman, Cedric Price. Aan de hand van begrippen als placemaking of experiment worden allerlei plekken ingericht voor de tijdelijkheid, met dito huurprijzen, doelgroepen en bestemmingsplannen. Nu is er veel voor te zeggen om via snelle beslissingen en korte klappen een gebied nieuw leven in te blazen en heel wat tijdelijke invullingen hebben inspirerende plekken opgeleverd. Maar het kan ook verkeerd uitpakken. Regelmatig wordt tijdelijkheid niet ingezet als middel voor permanente creativiteit of voor onderzoek naar vernieuwende ontwikkelmethoden, maar uit een soort gemakzucht. De tijdelijk woonwijk voor arbeidsmigranten en spoedzoekers, het tijdelijke weiland vol zonnepanelen, tijdelijke kunstenaars voor de gezelligheid. Dat soort semicreatieve inpassingen zijn niet bedoeld om iets van te leren of om een ruimtelijk vraagstuk structureel op te lossen, maar om een werkelijke beslissing uit te stellen. Tijdelijkheid als voorwendsel voor vrijblijvendheid.

Maar een land dat groeit naar twintig miljoen inwoners, dat aan de vooravond staat van een compleet andere omgang met energiebronnen en waar het water nog altijd aan de lippen kan staan, heeft iets anders nodig dan deeloplossingen op de korte termijn. De vraagstukken van Nederland vragen om robuuste plannen voor de toekomst. In de ontwerpwereld klinkt daarom volkomen terecht steeds vaker de roep om de terugkeer van het ministerie van VROM, om een ruimtelijke toekomstvisie voor Nederland. Daarvoor zijn in ieder geval een gedeeld gevoel van urgentie en politieke slagkracht nodig. Maar is dat genoeg? Misschien is er nog iets anders nodig voor dergelijke langetermijnstrategieën en -plannen: een mentaliteit zoals die van de middeleeuwse steenhouwer. Het willen bouwen voor Iemand of Iets dat groter is dan het eigen belang en dat de korte en middellange termijn ver overstijgt. Ondanks het besef dat niets zo veranderlijk is als de toekomst, bouwen met de inzet van eeuwigheid. En als dat begrip te beladen is, laten we dan zoeken naar een overtuiging voor de zeer-lange-termijn. Laten we bouwen voor de lang-heid.