Press "Enter" to skip to content

Absoluut

Een van de meest essentiële kenmerken van het ontwerpvak is keuzes maken. Iedere meter die je tekent had ook op een andere manier ingericht kunnen worden. Ieder gebouw representeert de voorkeuren, beslissingen en architectonische theorieën van de eigen tijd. Tezamen vormt een collectie gebouwen de cultuur van de stad als geheel. Maar hoe werkt dat eigenlijk? Hoe verhoudt het individuele architectonische object zich tot de rest van de stad? Wat is de rol van autonome architectuur in moderne, complexe stedenbouwkundige opgaven? Rondom die vragen beweegt zich het zalige boek The possibility of an absolute architecture uit 2011 van de Italiaanse architect en theoreticus Pier Vittorio Aureli. 

The possibility of an absolute architecture is een even inspirerend als raadselachtig boek. Het zindert van ideeën, van engagement en van liefde voor architectuur. Maar het is ook verwarrend. Van reguliere stedenbouwkundige discoursen trekt Aureli zich namelijk niets aan.De vorm van de stad heeft niet zijn interesse, noch het continuüm van meer of minder publieke ruimtes. De wereldwijde groei van steden en de vraagstukken die dat met zich meebrengt, schaart Aureli simpelweg onder het ‘management van urbanisatie’. Waar hij zich mee bezighoudt is de  ideevorming over de ‘polis’, daar waar de cultuur van de stad wordt gedefinieerd. Aureli’s absolute architectuur concentreert zich op het tegendeel van de moderne stedenbouw: niet op de continuïteit van de stad, maar op de beëindiging van de ruimte, niet op de stedenbouwkundige samenhang, maar op de waarde van het losse gebouw, los van z’n context.

Zo vaag als dat wellicht in woord mag klinken, zo duidelijk wordt het in beeld. De kracht van het boek bevindt zich met name in het samenbrengen van voorbeelden. Aureli’s positionering kent immers een lange geschiedenis in de architectuurtheorie. Via de democratische monumenten van Boullée, de Stad-in-de-Stad-superblocks van Ungers, de stadhotels van OMA en het Marsveld van Piranesi wordt duidelijk welk ruimtelijk beeld bij deze woorden hoort. Het gaat om ijzersterke architectonische statements die autonoom een bijdrage leveren aan het denken over de toekomst van de moderne stad; theoretische exercities bedoeld om haarscherp en lijnrecht een ruimtelijk principe uit te werken. Het is geen toeval dat het louter niet-gerealiseerde werken zijn, want het gaat om de uitgewerkte gedachte, niet om het bewezen resultaat.

Voor de hedendaagse stedenbouwkundige is deze blik op de stad even schrikken. Want voor wie denkt vanuit overzicht, inclusiviteit, groei en bereikbaarheid voor iedereen, is Aureli’s fascinatie voor het afgebakende object, de grens en de beëindiging een doorn in het oog. Maar deze fascinatie vormt ook een nuttige confrontatie. Want vestigt Aureli niet precies de aandacht op een vraagstuk dat steeds onzichtbaarder dreigt te worden: welke betekenis vertegenwoordigt het autonome architectonische object binnen het krachtenveld van de steeds complexere stedenbouw? Is de architectuur van de hedendaagse stad niet vooral een resultante van planologische ambities, stedenbouwkundige eisen en financiële belangen, in plaats van de uitkomst van een ruimtelijke, autonome stellingname? Aureli heeft een punt wanneer hij het grootste deel van de stedenbouw ‘management’ noemt.

The possibility of an absolute architecture herinnert eraan dat betekenisvolle architectuur gaat over keuzes maken. Iedere stad kent immers plekken die vragen om radicale ruimtelijke uitspraken, plekken die uitdrukking moeten geven aan de tijdgeest en aan de plaatsgebonden culturele waarden. Er zijn momenten waarop absolute scherpte nodig is, bijvoorbeeld wanneer je het grootste museum van de stad wilt herbouwen of de hoogste toren van het land wilt neerzetten. Die momenten vragen om een ontwerp waarin toekomst en verleden van de stad worden samengebracht, een ontwerp dat een autonome kracht heeft die alle dagelijkse belangen overstijgt. Want op die plekken wordt precies die toekomst geprojecteerd die men later zal beschouwen als cultureel verleden.

Of in de woorden van Aureli: in een zee van urbanisatie heb je eilanden nodig van absolute architectuur. Is dat vaag? Wellicht. Is het noodzakelijk? Absoluut.

Beeld: O.M. Ungers, 1991