Press "Enter" to skip to content

Posts published in september 2019

Trotta’s Wenen

Niets is meer zoals het was, als Franz Ferdinand Trotta naar Wenen terugkeert na vier jaar loopgraven, desertie en krijgsgevangenschap. Trotta, de hoofdpersoon uit de roman De Kapucijner Crypte van Joseph Roth, is zijn oude wereld kwijt. Trotta zwerft door zijn herinneringen aan het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog, maar die stad bestaat niet meer. Zijn cafés worden gerund door kelners die hij niet kent, zijn familiekapitaal is verdampt, de vrouwen doen geëmancipeerd… En het ergste van alles: de keizer is dood, de monarchie is verloren. Wat overblijft van zijn land is de grafkelder van het Habsburgse geslacht: de Kapucijner Crypte. 

Hoewel we tegenwoordig nogal anders aankijken tegen de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, is Trotta’s verlorenheid overtuigend. De politieke geschiedenis van Oostenrijk zou alleen maar nog bergafwaarts gaan in die jaren. Roth laat Trotta’s verhaal eindigen op de avond van de Anschluss. Hij is alleen achtergebleven in het café, de Joodse eigenaar is meteen op de vlucht geslagen, zijn vrienden zijn gaan feesten. Zijn grote Wenen is een provinciestad van nazi-Duitsland geworden.

Wie ter voorbereiding van een weekendje Wenen De Kapucijner Crypte leest, denkt ter plekke alleen maar vergane glorie te gaan zien en het einde van een tijdperk. Maar het Wenen van honderd jaar geleden was natuurlijk niet alleen een verzameling failliete kastelen en dode keizers. Wenen was ook het bruisende intellectuele centrum van nieuwe ontwikkelingen in kunst, architectuur, muziek.

Terwijl Josef Roth zijn Trotta in Café Museum laat peinzen over de teloorgang van de oude wereld, stond in het échte Wenen schuin tegenover dat koffiehuis al twintig jaar het Secessionsgebouw: het ‘clubhuis’ van de Wiener Secession. Misschien was het Trotta niet zo zwaar te moede geweest als hij van zijn tafeltje had opgekeken en de woorden Der Zeit ihre Kunst. Der Kunst ihre Freiheit boven de deur had gelezen. Zou het hem hebben behaagd dat iedere tijd zijn eigen kunst heeft? Zou dat merkwaardig geproportioneerde gebouwtje van wit pleisterwerk in een een mengelmoes van classicistische, Jugendstil en (pre)moderne elementen hem hebben kunnen boeien?

Het is een verleidelijk gedachte-experiment om een romanpersonage te plaatsen in de daadwerkelijke geschiedenis van de plek. De literaire tijdsbeleving en de werkelijke geschiedenis raken even aan elkaar: onze gedesoriënteerde romanticus Trotta liep door dezelfde straten als de historische figuren die de moderne tijd hebben helpen definiëren– Freud, Schönberg, Wittgenstein, Loos. 

Als er één plek is waar die twee Weense werelden elkaar ontmoeten, is het wel de Michaelerplatz. Recht tegenover het keizerlijk paleis Hofburg, in het middelpunt van de romantiek van de vergane glorie, staat het Looshaus. Ontworpen door Adolf Loos in 1910, hetzelfde jaar van zijn fameuze essay over ornament als misdaad. De keizerlijke familie was geschoffeerd door dit stijlloze geval voor hun deur. Maar als we met onze hedendaagse blik naar het Looshaus kijken, dan zien we een uiterst zorgvuldig gedetailleerd en rijk gematerialiseerd gebouw. Zelfs in de vier bovenverdiepingen, met kaal pleisterwerk en ramen zonder omlijsting, is nog enig reliëf aangebracht. Ronduit weelderig zijn de plastiek van de plint, de monumentale entree met de marmeren zuilen en de onderverdeling van de kozijnen. En dan hebben we het nog niet eens over het houtwerk in het interieur.

De hedendaagse toerist treft op de Michaelerplatz vooral trappelende paardjes die blije toeristen in open koetsjes over de kasseien meevoeren naar het Sisi-paleis. De citybranding is duidelijk: het toerisme richt zich op het oude Wenen. Dat daar recht tegenover de moderniteit zo’n beetje begon, valt hooguit een verloren architectuurstudent op. 

Met Trotta kwam het niet meer goed en Joseph Roth zou kort na 1939 overlijden. Oostenrijk belandde in z’n volgende wereldoorlog. Maar de Michaelerplatz blijft overeind. Wat een prachtige plek in de geschiedenis, een getuigenis van hoe de ene wereld begon en de andere wereld ten einde kwam. 

Stafkaart

Ons familiehuis is verkocht. Wij, de kleinkinderen, inmiddels zelf huizen- en kinderbezitters, kwamen er niet meer. Daar, in een dorp met nog geen dertig inwoners diep in de Franse Bourgogne, bouwden we iedere zomer hutten en dammen in de bossen. We leerden autorijden ver voor onze achttiende verjaardag en werden dronken met de boeren op quatorze juillet.

Afgelopen zomer kwam ik terug. Na jaren van afwezigheid bleek er helemaal niets veranderd. Dezelfde bewoners in dezelfde huizen, de dode boom die nog altijd midden in de wei ligt en de koeien even onverstoorbaar drinkend bij de beek. De enige verandering waren de bordjes met straatnamen, die na jaren van adresloosheid blijkbaar nodig waren gebleken. Het kerkhof was nog voller geworden.

Terugkeren naar een landschap waar je elke heuvel kent, weet hoe laat de geiten gemolken worden en hoe het gemaaide graan ruikt, is een enorm krachtige sensatie. De ruimtelijke bibliotheek waar je in het dagelijks leven nooit aanspraak op maakt wordt ineens geactiveerd. Het is een fysieke ervaring: je blijkt nog feilloos de weg te kennen in bossen waar niemand komt, je te herinneren wat het juiste wandeltempo is op die steile helling, te weten boven welke boom de zon onder gaat op vijftien augustus. Dit kleine eilandje in de zee van Bourgondische heuvels kent voor mij geen geheimen: ik ken de stafkaart uit mijn hoofd. Maar dat is ook alles wat ik van de streek weet. Tien kilometer verderop ben ik een toerist, buitenlander, stadsmens.

In de magische fantasie van mijn eindeloze kindervakanties was het wonen in zo’n dorpje het hoogste wat je kon bereiken. Leven met de natuur, zelfvoorzienend zijn, onafhankelijk van de wereldwijde gebeurtenissen. Maar de realiteit van het Franse boerenleven is misschien wel niet zo romantisch. De streek loopt leeg want jonge mensen trekken naar de stad. Niks zelfvoorziening: de kleine winkeltjes in oude dorpjes worden een voor een gesloten. Bewoners zijn steeds meer afhankelijk van de grote winkelcentra: het enige commerciële model dat overleeft in dit soort gebieden.

Zo gaat dat op het Franse platteland. Achter de coulissen van het schitterende decor schuilt de machinerie die het in leven houdt: Super U, Mr Bricolage en Decathlon. Het zijn lelijke plekken, snikhete asfaltvelden met stalen dozen en schreeuwerige logo’s. Maar toch: de centres commerciaux en de kleine dorpjes houden elkaar in een greep van wederzijdse afhankelijkheid. Zonder koelvakken en tankstations zouden de toeristen niet die lieve dorpjes komen bezichtigen. En voor de eigenlijke bewoners betekenen de winkelcentra een sprong naar de moderniteit, een reden om niet te hoeven vertrekken. Deze suburbane non-places zijn in alles het tegendeel van de omgeving waarin ze staan. Was het niet van oudsher de functie van la campagne om de stad van voedsel te voorzien? Nu komt de stad het platteland voeden, tot voorverpakte lunch-wraps aan toe.

Hoe moet het verder met dit soort streken als zelfs wij, de tweedehuizenbezitters, wegtrekken? Zal het leven op het platteland ooit z’n aantrekkingskracht terug krijgen? De algemene tendens is er niet naar; de stad is de toekomst. En juist daarom is het een klein wonder dat ons familiehuis verkocht is aan een jong gezin. Vakantiehuis wordt nu woonhuis. Opnieuw zullen er hutten worden gebouwd en dammen worden gelegd, maar dan door kinderen die er elke ochtend op de schoolbus stappen en er alle seizoenen slapen. Wat een aanwinst voor het dorp. Een betere bestemming had het huis van mijn jeugdherinneringen niet kunnen krijgen.