Press "Enter" to skip to content

Posts published in juni 2018

Googlemapistan

Wat heeft Google Maps toch een radicale vernieuwing gebracht in het verschijnsel kaart. Niet meer een uitvouwbaar stuk papier met een detailbeschrijving van een klein stukje land, maar alle kaarten van de hele wereld aan elkaar vastgeplakt, grenzeloos. Niet meer een vast schaalniveau bijvoorbeeld, 1:50.000 of 1: 200.000, maar eindeloos in-en uitzoomen tot je er duizelig van wordt. Van kleinste landweg tot de wereld alleen nog maar een hemellichaam is. Stadsplattegronden, wegenkaarten, geologische reliëfs en zelfs historische kaarten: alle informatie uit de hele Bosatlas bij elkaar gestopt en op elkaar gelegd in één krankzinnig simpele applicatie.

De ambitie van waaruit een project als Google Maps kon ontstaan is niet anders dan die van de 17e eeuwse Hollandse kaartenmaker Joan Blaeu, de 16e eeuwse Jacob van Deventer of inderdaad…de Bosatlas. Grote, encyclopedische projecten met als doel alles bij elkaar te brengen. En dat leidt tot fantastische projecten. De kaarten van Blaeu zijn wereldberoemde kunstwerken. De stadsplattegronden van Jacob van Deventer idem dito. Maar dat alles bij elkaar brengen… wanneer heb je voldoende in kaart gebracht? Waar eindigt het detailniveau waarop je de werkelijkheid wilt weergeven? Jorge Luis Borges schreef in Up to date naturalisme over een land waar het maken van kaarten de nationale hobby werd: “In dat Rijk bereikte de cartografiekunst zo’n graad van Perfectie, dat de Kaart van één enkele Provincie de ruimte van een hele stad besloeg, en de Kaart van het Rijk, een hele Provincie. Mettertijd voldeden deze Mateloze Kaarten niet en de Colleges van Cartografen brachten een Kaart van het Rijk uit, die de Afmeting van het Rijk had en op elk punt hiermee overeenstemde.”
Het heeft iets angstaanjagends: een kaart die de omvang van het gebied zelf aanneemt. De 1:1 kaart van de wereld of misschien nog griezeliger, een kaart die larger than life de wereld representeert. Hoe zou een 2:1 kaart van het land eruit zien?

Blaeu en van Deventer wisten natuurlijk heel erg goed waar te stoppen: op het moment dat je geen leesbare kaart meer krijgt. De kern van het vak kaarten maken is analyse en reductie van geografische informatie en het samenstellen van een goed ogend, leesbaar geheel. Het in-en uitzoomen van Google zorgt ervoor dat je niet hoeft te stoppen met het toevoegen van informatie. En dan kom je waarachtig terecht in het Rijk van Borges. Googlemapistan: het land waarvan de kaart even groot is als het land zelf. Maar hoe nuttig is het eigenlijk om deze mate van objectiviteit en realisme in kaart te brengen? Als encyclopedie en routeplanner: enorm. Om zomaar de stadsplattegrond van een onbekend plaatsje in bijvoorbeeld Colombia te kunnen bekijken: ongekend. 

Maar als ontwerper is de kaart waar alles in getekend staat compleet nutteloos. De ontwerper wil informatie kunnen organiseren, enerzijds door te analyseren wat er is, anderzijds door interessante kaartlagen samen te brengen en nieuwe verbanden aan te leggen. De ontwerper interpreteert om zo tot nieuwe inzichten te komen. Zoals bijvoorbeeld de beroemde kaart van Giambattista Nolli, waarin de kerken net zo werden geïllustreerd als pleinen: openbare ruimte. Het voordehandliggende onderscheid tussen openbare ruimte en dicht volume verdwijnt en een nieuw perspectief op de beleving van de stad ontstaat. Analysekaarten kunnen leiden tot ontwerp; zo leveren bijvoorbeeld de gecombineerde kaartlagen van stilte en zon de ideale ontwerplocaties voor speeltuinen of parken. En diezelfde kaart vertelt ook waar je het hardrockcafé zou kunnen landen: op plekken van lawaai en schaduw.

Google Maps: het summum van alle kaarten, de kaart waarna nooit meer een kaart hoeft te worden gemaakt… vanuit ontwerpperspectief is het pas het beginpunt. 

 

Hoogbouwstad

De meeste grote steden in Europa kenmerken zich door een silhouet dat we niet bij eerste aanblik kunnen identificeren. Is het Frankfurt, Moskou of London…ze zijn alle hoog, overweldigend en divers van vorm. Herkenning van de stad komt eerder van de individuele gebouwen dan van het ensemble als geheel. Hé, dat bekende gebouw van Norman Foster; dat moet dus London wel zijn. Hoogbouwsteden hebben in hun geheel geen aparte afleesbare identiteit. Juist in verscheidenheid aan kleur, materiaal en stijl lijken ze vaak op elkaar. Hoe definieer je de herkenbaarheid, het unieke karakter van een stad in tijden van de internationale architectuur van de wolkenkrabber?

Met The City of the Captive Globe (uit: Delirious New York, 1978) illustreerde Madelon Vriesendorp het ideaalbeeld van de kapitalistische vormgegeven Amerikaanse stad:een strak stedenbouwkundig grid waarna de architectuur alle kanten op kan.
De captive globe beschreef een haarscherpe scheiding tussen de disciplines stedenbouw en architectuur. De Amerikaanse stadsplanning vormde dan ook het radicale tegengestelde van de Europese traditie van grootschalige stadsuitbreidingen, waarin stedenbouw en architectuur in samenhang werden ontworpen. Stratenplan, bouwhoogtes, materialisering, woninggroottes, programma, etc… de plannen van bijvoorbeeld Haussmann, Cerdà en Berlage waren planologie, stedenbouw en architectuur in één.

Het voordeel van de grote Europese stadsuitbreidingen was een duidelijk herkenbare identiteit voor het gebied. Niet alleen letterlijk in materialisering en stijl, maar ook in culturele betekenis: architectuur en stedenbouw waren onlosmakelijk verbonden aan de ideologie die de achterliggende gedachte vormde van het plan. Haussmann wilde van de groeiende Parijse economie een wereldstad voor de bourgeoisie maken; Berlage wilde van de groeiende Amsterdamse economie een eerlijke stad voor iedereen maken. Daarin werden expliciete keuzes voor vormentaal en materiaal gemaakt die tot op de dag van vandaag de identiteit van een heel stadsdeel bepalen. Parijs = zandsteen en zinken daken. Amsterdam Zuid = wulpse baksteen. 

Nadeel van zulke integrale grootschalige plannen is dat het gruwelijk mis kan gaan. Niet in de laatste plaats om ‘trauma’s’ zoals de Bijlmermeer heeft het integrale masterplan zijn populariteit verloren. Planologie, stedenbouw, architectuur zijn in de huidige ontwerppraktijk gescheiden disciplines en komen achter elkaar in plaats van tegelijkertijd. Zo’n beetje volgens de ideologie van de captive globe. Eerst het stedenbouwkundig grid, dan de architectonische uitwerking. Hoewel…toch ook weer niet helemaal. Het ‘grid’ is tegenwoordig behoorlijk strak gedefinieerd via uitgebreide stedenbouwkundige ontwerpregels, die voor elke stad weer anders zijn.

Anti-refridgerator-look-rule, Alex Lehnerer

In het boek Grand Urban Rules (2009) bundelde architect Alex Lehnerer een verzameling van wereldwijde ontwerpregels voor steden. Het boek geeft een prachtig inzicht in de gereedschapskist van de moderne stedenbouwkundige: het ‘grid’. Welke vrijheid geef je aan de architectuur van het individuele gebouw? Opvallend veel regels gaan over de relatie van gebouwen in hun context: het uitzicht op de bergen (Vancouver, HongKong), de maatverhouding ten opzichte van andere gebouwen; de beëindiging van gebouwen aan de lucht (anti-refridgeratorlook-rule). Conclusie: de hoogbouwstad moet niet enkel een collectie van iconische projecten op een podium zijn; maar kan ook een samenhangend ruimtelijk ensemble vormen waarin het ouderwetse begrip ‘stedelijk weefsel’ een belangrijke rol speelt. 

Ergens tussen de uitersten met aan de ene kant de captive globe en aan de andere kant Berlage en Haussmann bevindt zich de ontwerpopgave voor de moderne hoogbouwstad. De ruimtelijke samenhang tussen gebouwen, de enscenering, de ritmiek van de stad, het onderscheid tussen terughoudende en opvallende architectuur en het ensemble van laag-midden-hoogbouw: al deze stedenbouwkundige vraagstukken spelen evengoed in de traditiononele Europese stad, als in de hoogbouwstad. De stricte scheiding van architectuur en stedenbouw is voor deze opgave een slecht idee; juist in de samenhang van deze disciplines kan het unieke karakter van een stad zich manifesteren.