Press "Enter" to skip to content

Omhoog!

Voor het eerst sinds maanden stond ik weer eens in een lift. ‘Hier sta je goed’ stond er op twee ronde stickers op de vloer, anderhalve meter uit elkaar. Per ritje kunnen twee personen tegelijk omhoog, mits ze braaf op de stickers blijven staan. In het minimaal hervatte kantoorleven zijn de verticale reistijden exponentieel toegenomen. Lange rijen wachtende mensen bevolken tegenwoordig de entrees van hoge gebouwen in grote steden.

Lange rijen mensen stonden ook te wachten voor de presentatie van de eerste veilige personenlift, zo’n 170 jaar geleden. In Delirious New York beschrijft Rem Koolhaas hoe uitvinder Elisha Otis tijdens een spectaculaire publieksshow in New York zijn lift omhoog hees om vervolgens de kabel door te hakken met een bijl. Tegen de verwachting van het publiek in viel hij niet maar bleef hij hangen aan het door hem uitgevonden veiligheidssysteem. Deze uitvinding betekende een ongekende ontwikkeling voor de architectuur: de geboorte van wolkenkrabber en de hoogbouwstad.

De magie van de geautomatiseerde verticale verplaatsing blijft tot de verbeelding spreken, van de moordmachine van Dick Maas tot de vliegende liften van Willie Wonka en Abeltje. Maar waarom eigenlijk? Voor ontwerpers valt er niet veel eer te behalen aan zo’n vierkant hokje boordevol technische eisen met vastgelegde afmetingen voor de draaicirkel van een rolstoel en het vervoer van een doodskist. 
Nee, dan de trap: met al z’n mogelijke vormen en draairichtingen het architectonisch hoogtepunt van zo veel gebouwen. De herhaling van de trede, de menselijke maat die nodig is om hoogte te ervaren, de langzame perspectiefwisseling tijdens het stijgen of dalen: de trap is een ritueel. 
Maar met trappen alleen maak je geen hoogbouw. 

De pandemie van de afgelopen maanden liet zien hoezeer de grote stad niet alleen mogelijk werd dankzij de lift maar er ook afhankelijk van is geworden. Het gebouw waar ik normaal gesproken werk is op dit moment onbruikbaar. De enige mogelijkheid om binnen te komen is via zelfdenkende liften, die de efficiëntste verdeling van passagiers uitrekenen. Een trappenhuis paste niet in het concept, de verticale stad ervaart de mens immers op hoge snelheid en in een rechte lijn. Maar met de huidige afstandsregels zou het een hele werkdag kosten om alle mensen achter hun bureaus te krijgen. Deze veertig verdiepingen tellende kantoorkolos is functioneel volkomen platgelegd door een paar hokjes van vijf vierkante meter.

Paternoster

Kunnen we niet andere vormen van verticale verplaatsing bedenken, die misschien minder geoptimaliseerd zijn in normale tijden maar robuuster in tijden van crisis? Ruime roltrappen, glijbanen en een ouderwets trappenhuis? Of bijvoorbeeld een moderne uitvoering van de paternoster, een continu traag bewegende lift uit het begin van de twintigste eeuw, bestaande uit een aaneenschakeling van kleine hokjes waar slechts twee personen tegelijk in passen. Ben je helemaal bovenin beland, dan draai je rustig weer naar beneden. Zo’n systeem is misschien niet erg efficiënt, maar ideaal in tijden van besmettingsgevaar. En een stuk efficiënter dan lange rijen wachtende mensen voor een hoog kantoorgebouw. 

Waar efficiëntie als argument geen steek meer houdt, ontstaat nieuwe ruimte voor creativiteit. Misschien inspireert deze crisis ontwerpers ertoe om de lift en zijn magie opnieuw uit te vinden.