Press "Enter" to skip to content

Maatpak thuis

De buren hadden hun huis verbouwd. Op iedere verdieping was tot mijn verbazing een extra keuken en badkamer verschenen. Waarom? Het huwelijk bleek voorbij maar de opvoeding nog niet: ze wilden ieder hun eigen verdieping met de kinderen ertussenin. Pas na de verbouwing vertelden ze over hun privésituatie. Alsof het schema van deze relatie – het concept – eerst ruimtelijk moest worden vertaald om bestaansrecht te hebben. 

Mijn buren hadden het geluk om over voldoende vierkante meters te beschikken, maar voor de meeste ‘alternatieve gezinssamenstellingen’ is nauwelijks woningaanbod te vinden. En dat is vreemd, want de realiteit van de woonvraag is tegenwoordig veel breder dan het traditionele huishouden: singles, samengestelde gezinnen, gescheiden huishoudens en mantelzorgers vormen een groot deel van de woningzoekenden. 

Het traditionele huishouden is sowieso een ingewikkeld begrip, stelde socioloog Richard Sennett in zijn boek The Fall of Public Man, een klassieker van de twintigste-eeuwse sociologie. Hij beschrijft hoe de extended family eigenlijk een net zo gangbare samenlevingsvorm is als de nuclear family. Grootouders die bij hun kinderen inwonen, personeel dat een eigen verdieping heeft, een verloren zoon die bij een ander gezin intrekt, het heeft allemaal al eeuwenlang bestaan.

Maar de hedendaagse woningbouw is hier niet op ingericht. Dat is niet alleen een kwestie van vierkante meters, maar ook van bouwtechniek en financiering. We bouwen geen vrije structuren die zich voegen naar de levens van bewoners maar tunnelbekiste woonproducten voor doelgroepen. Een gewoonte die teruggaat tot de stadsuitbreidingen van de Wederopbouw: demografische voorspellingen tot achter de komma worden vertaald in vierkante meters tot achter de komma. De gezinssamenstelling van de 21e eeuw kent inmiddels zo veel meer gedaanten dan de planningsidealen van de jaren vijftig, maar het kerngezin blijft het meest geliefde ontwikkelmodel.
 
Het kan ook anders, zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse Solids uit 2004 lieten zien: twee bestemmingsplanvrije gebouwen in een mengvorm tussen huur en koop. Solids waren dé manifestatie van het scheiden van drager en inbouw, met de woningbouwvereniging als verhuurder van de kale vierkante meters en de bewoners als kopers van de volledige afbouw. De schuifbare vierkante meters waren (geluids)technisch ingericht op ieder denkbaar programma. Zelden is een alternatief woonconcept zo letterlijk, zo radicaal en zo succesvol gerealiseerd. Maar hoe spectaculair ook, de Solids eindigden als zoveel experimenten. Na de invoering van de Woningwet van 2015 heeft de woningbouwvereniging alle appartementen verkocht en is het concept roemloos ten onder gegaan. 

Lag dat alleen aan de verhuurdersheffing, de hoge beheerskosten, de goudkoorts of speelde er meer? De architectuur van de Solids was allesbehalve alternatief, het waren tamme gebouwen die weinig uitstraalden. De Solids leden aan de paradox van het generieke grid: om alles mogelijk te kunnen maken, moesten ze zelf onbepaald zijn. Hadden ze misschien een meer uitgesproken architectuur moeten hebben waaraan hun innerlijke verscheidenheid viel af te lezen, zoals mijn buren het nodig hadden om hun ruimtelijke inrichting te tonen voordat ze over hun leven konden vertellen? 

Hoe het ook zij, het is doodzonde. Want dankzij de nieuwe Woningwet is het voor corporaties onmogelijk om dit soort experimenten te ondernemen. Het is dan ook hoog tijd dat ontwikkelaars en alternatieve collectieven de mogelijkheid krijgen om anders te bouwen dan overeenkomstig de standaard woonwensen en leefstijlen. Alleen dankzij goede architectuur, intelligente financieringsvormen en open constructies kunnen de vele samenlevingsvormen die de maatschappij rijk is ruimtelijk gestalte krijgen en daarmee hun bestaansrecht ten volle vieren. 

beeld: High Rise of Homes, James Wines. Bron: www.moma.org/collection/works/709