Press "Enter" to skip to content

from scratch

Trotta’s Wenen

Niets is meer zoals het was, als Franz Ferdinand Trotta naar Wenen terugkeert na vier jaar loopgraven, desertie en krijgsgevangenschap. Trotta, de hoofdpersoon uit de roman De Kapucijner Crypte van Joseph Roth, is zijn oude wereld kwijt. Trotta zwerft door zijn herinneringen aan het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog, maar die stad bestaat niet meer. Zijn cafés worden gerund door kelners die hij niet kent, zijn familiekapitaal is verdampt, de vrouwen doen geëmancipeerd… En het ergste van alles: de keizer is dood, de monarchie is verloren. Wat overblijft van zijn land is de grafkelder van het Habsburgse geslacht: de Kapucijner Crypte. 

Hoewel we tegenwoordig nogal anders aankijken tegen de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, is Trotta’s verlorenheid overtuigend. De politieke geschiedenis van Oostenrijk zou alleen maar nog bergafwaarts gaan in die jaren. Roth laat Trotta’s verhaal eindigen op de avond van de Anschluss. Hij is alleen achtergebleven in het café, de Joodse eigenaar is meteen op de vlucht geslagen, zijn vrienden zijn gaan feesten. Zijn grote Wenen is een provinciestad van nazi-Duitsland geworden.

Wie ter voorbereiding van een weekendje Wenen De Kapucijner Crypte leest, denkt ter plekke alleen maar vergane glorie te gaan zien en het einde van een tijdperk. Maar het Wenen van honderd jaar geleden was natuurlijk niet alleen een verzameling failliete kastelen en dode keizers. Wenen was ook het bruisende intellectuele centrum van nieuwe ontwikkelingen in kunst, architectuur, muziek.

Terwijl Josef Roth zijn Trotta in Café Museum laat peinzen over de teloorgang van de oude wereld, stond in het échte Wenen schuin tegenover dat koffiehuis al twintig jaar het Secessionsgebouw: het ‘clubhuis’ van de Wiener Secession. Misschien was het Trotta niet zo zwaar te moede geweest als hij van zijn tafeltje had opgekeken en de woorden Der Zeit ihre Kunst. Der Kunst ihre Freiheit boven de deur had gelezen. Zou het hem hebben behaagd dat iedere tijd zijn eigen kunst heeft? Zou dat merkwaardig geproportioneerde gebouwtje van wit pleisterwerk in een een mengelmoes van classicistische, Jugendstil en (pre)moderne elementen hem hebben kunnen boeien?

Het is een verleidelijk gedachte-experiment om een romanpersonage te plaatsen in de daadwerkelijke geschiedenis van de plek. De literaire tijdsbeleving en de werkelijke geschiedenis raken even aan elkaar: onze gedesoriënteerde romanticus Trotta liep door dezelfde straten als de historische figuren die de moderne tijd hebben helpen definiëren– Freud, Schönberg, Wittgenstein, Loos. 

Als er één plek is waar die twee Weense werelden elkaar ontmoeten, is het wel de Michaelerplatz. Recht tegenover het keizerlijk paleis Hofburg, in het middelpunt van de romantiek van de vergane glorie, staat het Looshaus. Ontworpen door Adolf Loos in 1910, hetzelfde jaar van zijn fameuze essay over ornament als misdaad. De keizerlijke familie was geschoffeerd door dit stijlloze geval voor hun deur. Maar als we met onze hedendaagse blik naar het Looshaus kijken, dan zien we een uiterst zorgvuldig gedetailleerd en rijk gematerialiseerd gebouw. Zelfs in de vier bovenverdiepingen, met kaal pleisterwerk en ramen zonder omlijsting, is nog enig reliëf aangebracht. Ronduit weelderig zijn de plastiek van de plint, de monumentale entree met de marmeren zuilen en de onderverdeling van de kozijnen. En dan hebben we het nog niet eens over het houtwerk in het interieur.

De hedendaagse toerist treft op de Michaelerplatz vooral trappelende paardjes die blije toeristen in open koetsjes over de kasseien meevoeren naar het Sisi-paleis. De citybranding is duidelijk: het toerisme richt zich op het oude Wenen. Dat daar recht tegenover de moderniteit zo’n beetje begon, valt hooguit een verloren architectuurstudent op. 

Met Trotta kwam het niet meer goed en Joseph Roth zou kort na 1939 overlijden. Oostenrijk belandde in z’n volgende wereldoorlog. Maar de Michaelerplatz blijft overeind. Wat een prachtige plek in de geschiedenis, een getuigenis van hoe de ene wereld begon en de andere wereld ten einde kwam. 

Stafkaart

Ons familiehuis is verkocht. Wij, de kleinkinderen, inmiddels zelf huizen- en kinderbezitters, kwamen er niet meer. Daar, in een dorp met nog geen dertig inwoners diep in de Franse Bourgogne, bouwden we iedere zomer hutten en dammen in de bossen. We leerden autorijden ver voor onze achttiende verjaardag en werden dronken met de boeren op quatorze juillet.

Afgelopen zomer kwam ik terug. Na jaren van afwezigheid bleek er helemaal niets veranderd. Dezelfde bewoners in dezelfde huizen, de dode boom die nog altijd midden in de wei ligt en de koeien even onverstoorbaar drinkend bij de beek. De enige verandering waren de bordjes met straatnamen, die na jaren van adresloosheid blijkbaar nodig waren gebleken. Het kerkhof was nog voller geworden.

Terugkeren naar een landschap waar je elke heuvel kent, weet hoe laat de geiten gemolken worden en hoe het gemaaide graan ruikt, is een enorm krachtige sensatie. De ruimtelijke bibliotheek waar je in het dagelijks leven nooit aanspraak op maakt wordt ineens geactiveerd. Het is een fysieke ervaring: je blijkt nog feilloos de weg te kennen in bossen waar niemand komt, je te herinneren wat het juiste wandeltempo is op die steile helling, te weten boven welke boom de zon onder gaat op vijftien augustus. Dit kleine eilandje in de zee van Bourgondische heuvels kent voor mij geen geheimen: ik ken de stafkaart uit mijn hoofd. Maar dat is ook alles wat ik van de streek weet. Tien kilometer verderop ben ik een toerist, buitenlander, stadsmens.

In de magische fantasie van mijn eindeloze kindervakanties was het wonen in zo’n dorpje het hoogste wat je kon bereiken. Leven met de natuur, zelfvoorzienend zijn, onafhankelijk van de wereldwijde gebeurtenissen. Maar de realiteit van het Franse boerenleven is misschien wel niet zo romantisch. De streek loopt leeg want jonge mensen trekken naar de stad. Niks zelfvoorziening: de kleine winkeltjes in oude dorpjes worden een voor een gesloten. Bewoners zijn steeds meer afhankelijk van de grote winkelcentra: het enige commerciële model dat overleeft in dit soort gebieden.

Zo gaat dat op het Franse platteland. Achter de coulissen van het schitterende decor schuilt de machinerie die het in leven houdt: Super U, Mr Bricolage en Decathlon. Het zijn lelijke plekken, snikhete asfaltvelden met stalen dozen en schreeuwerige logo’s. Maar toch: de centres commerciaux en de kleine dorpjes houden elkaar in een greep van wederzijdse afhankelijkheid. Zonder koelvakken en tankstations zouden de toeristen niet die lieve dorpjes komen bezichtigen. En voor de eigenlijke bewoners betekenen de winkelcentra een sprong naar de moderniteit, een reden om niet te hoeven vertrekken. Deze suburbane non-places zijn in alles het tegendeel van de omgeving waarin ze staan. Was het niet van oudsher de functie van la campagne om de stad van voedsel te voorzien? Nu komt de stad het platteland voeden, tot voorverpakte lunch-wraps aan toe.

Hoe moet het verder met dit soort streken als zelfs wij, de tweedehuizenbezitters, wegtrekken? Zal het leven op het platteland ooit z’n aantrekkingskracht terug krijgen? De algemene tendens is er niet naar; de stad is de toekomst. En juist daarom is het een klein wonder dat ons familiehuis verkocht is aan een jong gezin. Vakantiehuis wordt nu woonhuis. Opnieuw zullen er hutten worden gebouwd en dammen worden gelegd, maar dan door kinderen die er elke ochtend op de schoolbus stappen en er alle seizoenen slapen. Wat een aanwinst voor het dorp. Een betere bestemming had het huis van mijn jeugdherinneringen niet kunnen krijgen.

Zomerstop

‘Wie schrijft die blijft’, zeggen ze. Maar architecten weten wel beter, het is natuurlijk ‘wie bouwt die blijft’. Onze hele leefomgeving bestaat uit stukjes oude en nog oudere architectuur die we nog dagelijks gebruiken. In termen van ‘publieksbereik’ kun je maar beter een goed gebouw neerzetten dan een goed boek schrijven. Denk eens aan hoeveel mensen in de loop van de geschiedenis op de Akropolis hebben rondgelopen; een stuk meer dan er ooit Aristoteles hebben gelezen.

Waarom dan toch schrijven? Schrijven biedt gelegenheid voor iets dat het bouwen niet kan: buiten de hectiek van de dagelijkse ontwerppraktijk nieuwe ideeën verkennen. Gedachten ordenen zónder programma van eisen, het vinden van woorden bij vage intuïties en halve vermoedens.

Fromscratch.work bestaat nu een jaar en leidde tot zestien columns, één gesproken optreden, maandelijks nieuwe abonnees en shares op social media. Voor het schrijven van columns heb ik mezelf een paar randvoorwaarden gegeven: ze moeten leesbaar zijn voor vakgenoten én leken, maximaal uit zeshonderd woorden bestaan en iedere drie weken verschijnen. Verder kan en mag alles, zolang het iets met architectuur of stedenbouw te maken heeft.

Deze zomer gebruik ik om m’n gedachten over het schrijven eens te ordenen. Wat is het doel van mijn columns (is er een doel nodig?). Moet de site er anders uitzien? Hoeveel publiek wil ik bereiken? Ideeën van lezers zijn zeer welkom. Mocht je eens een gastcolumn willen schrijven of op een andere manier geïnteresseerd zijn in een samenwerking, dan ben ik daar nieuwsgierig naar.

Mooie zomer gewenst en tot in september,
Violette Schönberger

Ruimtevrees

De column Ruimtevrees is uitgesproken ter gelegenheid van de première van Symfonie van het lichaam, een film van Monica Ruiz over de functionaliteit van Rotterdamse architectuur en de sensitiviteit van architectonische beleving. De avond vond plaats in het Postkantoor Rotterdam, tijdens de Rotterdamse Architectuur Maand 2019.

~
Eerst twee voorbeelden van ruimtevrees:
Samen met mijn dochter stap ik uit op het panoramadek van de Euromast. Een plotselinge rukwind verrast ons; ik besterf het van angst en sleur haar in blinde paniek mee naar binnen. Bij mijn weten is er nog nooit een kleuter van de Euromast af gewaaid, maar op dat moment ben ik er zeker van dat het zal gebeuren.

In de overweldigende hal van het Postkantoor in Rotterdam ben ik met mijn 1,62m op 10cm hakken nauwelijks groot genoeg om boven dit spreekgestoelte uit te komen. Jullie, het publiek, zitten zo breed verspreid dat ik moeilijk contact kan maken. Deze magistrale ruimte zal mij zo verzwelgen en ik zal onopgemerkt in het niets verdwijnen.

Symfonie van het lichaam: Er bestaat geen architectuur zonder relatie tot het menselijk lichaam. Alleen al omdat het lichaam nodig is om überhaupt ruimte te ervaren. Maar de meest sterke ruimtelijke ervaringen worden niet gedefinieerd door architectonische beschrijvingen als ‘hoog’, ‘breed’, ‘licht’, ‘donker’. Juist de niet-concrete eigenschappen die de architectuur oproept, zoals verlangens, herinneringen en angsten bepalen de beleving: mijn dochter valt van de Euromast, het Postkantoor verzwelgt mij.

Wie op zoek gaat naar deze niet-tastbare beschrijvingen van architectuur, komt algauw terecht bij Gaston Bachelard en zijn beroemde boek La poétique de l’espace (de poetica van de ruimte). Aan de hand van zijn begrip topoanalyse, als variant op de psychoanalyse, bestudeerde hij de plekken als dragers van ons intieme leven, dromen en herinneringen. Een huis, volgens Bachelard, moet ruimte kunnen bieden aan verschillende bewustzijnslagen. Daarin was hij vrij concreet: de kelder is er voor de diepe angsten; de zolder voor de dromen en herinneringen. Het dieper graven in de psyche van een plek gebeurt volgens Bachelard dus letterlijk in de verticaliteit.

Citaat:
‘Een onvoorstelbaar feit voor een dromer van huizen: de wolkenkrabbers hebben geen kelders. […] De liften vernietigen de heldenmoed van de trappen. Het is nauwelijks nog een verdienste dat we vlak bij de hemel wonen. Chez moi (‘Bij mij thuis’) is alleen nog maar een eenvoudige horizontale eenheid. […] waar het ontbreekt aan een fundamenteel principe om de waarden van intimiteit te kunnen onderscheiden’.

Tot zover de Parijse ‘wolkenkrabbers’ van Bachelard uit 1958. Hoe zit dat in het hedendaagse Rotterdam, met z’n echte wolkenkrabbers? Kan deze ‘functionele’ stad de ziel beroeren? Ik vind van wel. Zoals sommige muziekstukken me altijd weer precies bij hetzelfde maatcijfer de tranen in de ogen doen schieten, zo blijft mijn adem altijd weer stokken als de metro vlak voor station Rijnhaven bovengronds komt. Bam, in een keer een bak licht en ik zweef vijf meter boven het maaiveld, uitkijkend over het water, de haven, de torens…Rotterdam in al z’n Rotterdamsheid. Dat is grappig: een fysieke ervaring, letterlijk zo verticaal als Bachelard ‘m beschrijft. Van het onderbewuste van de metro direct naar de dagdromen van niveau +1. Van de kelder in één klap door naar zolder.

Rotterdam, stad van wind en regen, is inderdaad niet alleen maar behaaglijk. De stad is ook overdonderend, beangstigend, opwindend. En juist die diversiteit van ervaringen, dat mozaïek van ruimtes, maakt Rotterdam specifiek, niet algemeen. De geborgenheid van het Deliplein op nog geen honderd meter afstand van het abstracte modernisme van de Kop van Zuid, geeft Rotterdam z’n poëtische rijkdom. De stad heeft niet alleen licht-lucht-en-ruimte, maar ook duisternis, geheimen en verborgen hoekjes. Genoeg zolders en kelders voor topo-analyse.

Als ontwerpers van nog-niet-geschreven plekken kunnen we ons soms wel wat meer bezighouden met deze onbewuste lagen van ervaring van architectuur. In plaats van te ontwerpen aan de hand de dingen die we cognitief begrijpen, zoals betaalbaarheid, duurzaamheid, collectiviteit of crowd control, zou het vaker kunnen gaan over ruimtelijke eigenschappen die je níet zo makkelijk punten geeft in een prijsvraag. Zoals de verschillende stadia van intimiteit, van het ongemakkelijk verborgene tot het ziekelijk exhibitionistische; de ruimtes van angst, ongemak of extase. We zouden bijvoorbeeld kunnen nadenken over hoe publieke ruimte niet alleen wordt vormgegeven voor ontmoetingen met elkaar, maar ook met het Zelf. Of in hoeverre de collectieve identificatie met belangrijke publieke gebouwen ook ruimte kan bieden aan de individuele expressie van de dagdromende voorbijganger.

Zou het ontwerpen aan de hand van deze poëtica leiden tot andere architectuur? Ik vermoed van wel. En mocht Rotterdam dat meer nodig hebben, dan moesten we daar maar eens naar op zoek gaan.

Kluswoning Pessac

Het eerste wat opvalt is het kleurgebruik. Als je de hoek om gaat richting Rue Le Corbusier openbaart zich plots een verrassend kleurenspectrum. Nee, geen helderwit en ook niet de primaire kleuren van de Stijl, maar een zachte polychromie: mintgroen, terrarood, lichtblauw.
Het tweede wat opvalt is de verscheidenheid aan tussenruimtes: terrassen, tuinen, veranda’s, loggia’s. Losjes en vrij georganiseerde ruimtes die ieder gebouw een eigen ontspannen karakter geven.
Het derde wat opvalt is de dichtheid: de gebouwen zijn laag, staan op ruime afstand van elkaar. Ze vormen drie straatjes die langs keurige rooilijnen de grens aangeven tussen privé en openbaar.

Is dit nou modernistische stedenbouw? Jazeker, we zijn in Cité Frugès in Pessac, een slaperig voorstadje van Bordeaux; het eerste meervoudige woningbouwproject dat Le Corbusier realiseerde. Vijftig woningen verdeeld over zo’n twintig gebouwen, in sneltreintempo ontworpen en gerealiseerd tussen 1924 en 1926. Voor plaatsing in zijn oeuvre: Pessac is uit dezelfde periode als Villa la Roche; vijf jaar voor de Villa Savoye, twintig jaar voor de eerste Unité d’Habitation, dertig jaar voor de kapel van Ronchamp. Dit is le Corbusier als dertiger, de enorm productieve architect, schilder, schrijver en oprichter van tijdschriften en kunstenaarsclubs als CIAM.

Opening van Cité Frugès in 1926

Pessac was de opdracht waar iedereen van droomt: suikerfabrikant Henri Frugès gaf alle vertrouwen aan de ‘onbekende architect’ om een wijk te realiseren volgens zijn ideeën over moderne architectuur zoals geformuleerd in zijn zojuist verschenen boek Vers une architecture (1923).

Twee-onder-een-boog-woningen. Bron foto: afasiaarchzine.com

Welke ideeën? Waar ging het plan over volgens de ontwerper? Cité Frugès was bedoeld om met minimale kosten arbeiderswoningen te realiseren voor de fabriek van de opdrachtgever. Le Corbusier, bezeten van standaardisatie en herhaling van componenten, ontwierp alle huizen uit identieke units van 5×5 en 2,5×2,5 meter. De gebouwen bestaan uit dezelfde blokken cellenbeton, dezelfde balken, ramen, keukens en trappen.

Dat klinkt als een fantasieloze ingenieursexercitie, maar standaardisatie was slechts een middel om te komen tot een betoverend resultaat. In Cité Frugès staan zes volledig verschillende woningtypes, waaronder de rug-aan-rugwoning, patiowoning, twee-onder-een-boog en de zig-zag.
De interieurs ontwierp le Corbusier met een haast romantische aandacht voor archetypische huiselijke elementen: de open haard als room divider, de brievenbus geïntegreerd in het tuinmuurtje, de trap als sculpturaal element in de ruimte, de douchemuur als ronding in plaats van scherpe hoek. Komt dit ontwerp uit het hoofd van dezelfde man die het centrum van Parijs wilde platgooien, die de Ville Radieuse bedacht en CIAM oprichtte; de man die tegenwoordig vaak geassocieerd wordt met alles wat fout was aan 20e-eeuwse stedenbouw? Als er iets de menselijke maat volgt, is het wel Cité Frugès.

Was hij tevreden? Wel met zichzelf, niet met de situatie. Le Corbusier vond dat zijn woningen te dicht op elkaar belandden als gevolg van het grondeigendom, een situatie waar hij een ‘ondraaglijke droefheid’ van uit vond gaan. Hierdoor zag hij zich genoodzaakt met kleurgebruik diepte te geven aan de straat, het landschap, de perspectieven. ‘Het resultaat is een uitgemaakte zaak’.

Wel ontevreden waren de bewoners. Als de woningen al gekocht werden, begonnen eigenaars overal hun eigen toevoegingen aan de gebouwen te maken. Patio’s werden dichtgezet, terrassen afgeschermd, ramen verkleind. Voor liefhebbers van kritiek op modernistische architectuur was dit natuurlijk hét argument dat je mensen niet moet opsluiten in machines à habiter. Inderdaad kun je in algemene zin stellen dat woningen die niet zo rigide zijn, waar je nog eens een wandje kunt verplaatsen en je je de ruimte kunt toe-eigenen meer kwaliteit hebben, maar niet hier. Pessac is een kunstwerk met zo’n rijkdom aan ruimtelijke elementen en zo’n fijnzinnige uitwerking dat het niets te maken heeft met zielloos dichtgetimmerde standaard woningbouw.

Bijna 100 jaar na de bouw staat een deel van het wijkje er totaal vervallen bij, ondanks de Unesco status en ondanks die ene gerestaureerde museumwoning die dagelijks stromen toeristen trekt. Onbegrijpelijk.

Ziet iemand misschien iets in een kluswoning van le Corbusier?!

Kleurgebruik in Cité Frugès. Bron foto: modernism.art-zoo.com

Utopia Almere

De bewoners van Almere leven voor altijd in de tegenwoordige tijd. Een stad zonder geschiedenis wil ook geen toekomst. Almere is er voor nu. Opgetrokken uit een lege vlakte van opgespoten zand; gebouwd naar de idealen van de tuinstad. Voor iedere bewoner van Almere is de juiste hoeveelheid land gereserveerd: een huis met een tuintje en een plek waar de twee gezinsauto’s kunnen staan. De Almeerders bouwden geen stad van Grote Verlangens maar een plek waar het leven zich laat sturen. Ook toen de stad begon te groeien, bouwden ze niet dichter op elkaar of hoger in de lucht maar weer een nieuw centrum naast de stad. Iedere inwoner zou een huisje met een tuintje hebben. Dezelfde rechten voor iedereen; er was toch genoeg land. Zodra de ruimte dreigde op te raken werd nieuw land opgespoten. Door haar onvoorstelbaar aangename verblijfscondities blijft de stad onvermoeibaar haar bewoners behagen. Wie eenmaal in Almere heeft geleefd zoekt nooit meer naar een andere woonplaats. De volmaakte invulling van menselijke behoeften verlost haar inwoners voorgoed van ieder verlangen naar Eeuwigheid.

Bovenstaande stijloefening is een ijdele poging Almere te beschrijven in de geest van Italo Calvino’s Onzichtbare steden. Een boek van weliswaar vijftig jaar oud maar eindelijk eens gelezen. Het lezen viel samen met een bezoekje aan Nederlands nieuwste stad. Almere is moeilijk te begrijpen, Calvino bood een perspectief.

Wat het meest opvalt aan Almere is de dienstbaarheid van de stad aan de wensen van  bewoners. Dit in tegenstelling tot de steden van Calvino, waar de bewoners zich moeten aanpassen aan dwingende ruimtelijke condities. Calvino’s steden zijn onbestaande en onbestaanbare plekken onder compleet bizarre omstandigheden. Armilla, de stad zonder muren, vloeren en plafonds, die enkel uit waterleidingbuizen bestaat; Eusopia, de stad waarvan ondergronds een exacte kopie is nagebouwd, bedoeld om de lijken van overledenen te bewaren en te verzorgen. Ottavia, de spinnenweb-stad die boven een honderden meters diepe kloof hangt.

Bij Calvino is geen stad zoals de andere. Onzichtbare steden, geschreven begin jaren zeventig, wordt wel gezien als een kritiek op de stedenbouwkundige eenvormigheid van het naoorlogse modernisme dat gezichtsbepalend was voor praktisch iedere Europese stad. Dit modernisme bood een utopische en universele oplossing voor alle steden, ongeacht klimaat, cultuur of gebruiken; het tegendeel van Calvino. Misschien niet geheel toevallig beschreef Calvino precies één stad meer dan de 54 steden die Thomas More op het eiland Utopia verzon.

Maar dan Almere. Begin er maar eens aan: een geheel nieuwe stad op een stuk zand neerzetten in een tijd waar de architectuur van grote gebaren onder vuur ligt. De kleinschaligheid van de architectuur uit de jaren zeventig geprojecteerd op het ruimtelijk schema van de naoorlogse tuinstad. Dat werd Almere, in allerlei verschillende vormen: haven, buiten, regenboogbuurt, muziekwijk. De stad is niet gebaseerd op één kern maar werd volgens het principe van de tuinstad polycentrisch opgezet. Het verblijf is overal aangenaam en tegelijkertijd volkomen anoniem. Want wat ís Almere precies? En wat hebben de steden van Calvino dat Almere niet heeft? Stadscultuur, identiteit, stedelijk karakter?

Stedenbouwkundige Kevin Lynch muntte het begrip imageability: de mogelijkheid om je een voorstelling te maken van het beeld van de stad in je geheugen en je fantasie. Misschien komt dat nog wel het dichtst in de buurt. De imageability van Almere is problematisch. De stad heeft niet een leesbare of herkenbare ruimtelijke drager. Geen grachtengordel, geen fjord, geen skyline. En precies daarin schuilt het geheim: Almere biedt de ruimte om conflictloos architectonische dromen te faciliteren. Niemand heeft last van de stad. Zo ziet een utopie er in het echt uit.

Bron beeld: ErsiliaKate Weatherly

 

Such stuff

Daar, hoog in de lucht, was vroeger de wc. Nu ruisen er wat populieren en vliegt er een verdwaalde vogel rond. Op de dertiende verdieping van het Bouwkundegebouw in Delft ontstond tien jaar geleden een vernietigende brand door een koffiezetapparaat. Op diezelfde dertiende verdieping bevond zich een jaar daarvoor nog een afstudeeratelier waar veel koffie werd geschonken.
De plek van ons atelier bestaat niet meer en iedere ruimtelijke oriëntatie is verdwenen. Onderscheid tussen de twaalfde, tiende of dertiende verdieping is verdampt; het is allemaal lucht, beetje hoger of lager. En toch zie ik het allemaal nog precies voor me: de gangen, de tafels, de wc.

Verdwenen plekken zijn in onze ruimtelijke voorstelling vaak even aanwezig als de plekken die nog wel bestaan. In ons brein lopen vage, abstracte ruimtelijke associaties en hele concrete herinneringen aan een kamer of een specifiek materiaal door elkaar. Maar hoe werkt het ruimtelijk geheugen?
In de jaren zestig is daar veel onderzoek naar gedaan, onder anderen door stedenbouwkundige Kevin Lynch aan MIT. Lynch liet proefpersonen uit het hoofd een plattegrond van de stad Boston tekenen. Deze kaarten noemde hij ‘mental maps’, sindsdien een veelgebruikt begrip in de stedenbouw. Op mental maps zien we hoe gebruikers van een stad zich oriënteren en welke plekken voor hen werkelijk belangrijk zijn. Dat blijkt behoorlijk te kunnen afwijken van de formele, ruimtelijke analyses van een ontwerper.
Een van de interessante observaties van Lynch was het onvermogen van de meeste deelnemers om de vijfhoekige Boston Common te reproduceren; bijna iedereen tekende dit park als een vierkant of driehoek. Kennelijk behoort een vijfhoekige ruimte niet thuis in de bibliotheek van ons ruimtelijk voorstellingsvermogen.

Het spel van bestaande plekken, herinnerde plekken en de interpretatie van plekken is het domein van de hedendaagse Russische kunstenaar Alexander Brodsky. Zijn gigantische klei-maquettes van fictieve steden zien er realistisch genoeg uit om ook echt te kunnen bestaan, maar ze bestaan niet. Terwijl schaalmodellen normaal gesproken bedoeld zijn om een betere voorstelling te krijgen van de realiteit, creëert Brodsky precies het omgekeerde: een concrete materialisering van de ruimtelijke beelden in ons geheugen.

Onlangs bouwde Alexander Brodsky samen met studenten van de Amsterdamse Academie van Bouwkunst weer zo’n fictieve stad van klei. Welke stad? Geen stad. Iedere stad. Een stad opgebouwd uit individuele herinneringen. De studenten kleiden gezamenlijk een paar duizend gebouwen op basis van hun herinneringen, zonder daarbij beeldmateriaal te mogen opzoeken. Eenmaal gedroogd werden de losse gebouwen samengebracht op een kolossale onderplaat van tachtig vierkante meter op de binnenplaats van de Academie.

Deze Clay City kende dus geen vooraf ontworpen stedenbouwkundige ordening. Desondanks ziet het resultaat eruit als een stad die we allemaal kennen: de gebouwen werden geplaatst langs een archetypische kronkel in een rivier, met bijbehorend eilanden (Île St Louis, Noordereiland), grote klassieke bruggen en een paar landmarks. Het is prachtig: een stad die je bekend voorkomt maar niet bestaat. Precies de net-niet realiteit van dromen, herinneringen, fantasieën.

Clay City van Alexander Brodsky. Bron: bouwkunst.ahk.nl

Maar hiermee was Brodsky’s project nog niet voltooid. De betoverende vervolmaking van Clay City was de vernietiging ervan. Niet door Brodsky of de studenten, maar door het weer. Brodsky zette de maquette van ongebakken klei bewust in de buitenlucht, waardoor het materiaal langzaam kon verweren, afbrokkelen, oplossen. Een paar weken Hollandse winter brachten de fictieve stad terug tot een ruïne van zand en stof.
Herinneringen aan bestaande gebouwen, gedroomde gebouwen en gefantaseerde gebouwen… even werden ze concrete materie in de maquette van Clay City. Maar met het langzaam wegspoelen van de klei verdwenen alle herinneringen weer in de niet-tastbare ruimtelijke beeldbank in ons hoofd.
En de maquette erbij. Clay City, wat een schitterend meesterwerk.

We are such stuff…

 

 

 

Witte bladzijde

Verlammende onzekerheid. In paniek staren naar een lege schetsrol. Voor menig architectuurstudent is de ‘angst voor de witte bladzijde’ een dagelijkse ervaring. Waarom komt dat geniale idee nou niet tot me? Je leest al die boeken, je bezoekt al die gebouwen, je volgt al die lezingen. Maar nog steeds is er geen goddelijke hand die je potlood over het papier leidt. Nee, dan Howard Roark, held uit The Fountainhead van Ayn Rand, die wordt gedreven door zulke compromisloze overtuigingen dat hij, ontevreden over de uitvoering van zijn ontwerp, het gebouw tot ontploffing brengt. Of Filippo Brunelleschi, die helemaal in zijn eentje de constructie voor die dubbele koepel in Florence uitvond en door niemand werd geloofd.

Studenten zoeken tevergeefs naar hun eigen onstuitbare creatieve inspiratie en raken geblokkeerd. Dat komt omdat we ze de verkeerde verhalen vertellen. Het is een misvatting dat geniale ideeën voortkomen uit moeiteloosheid. Vanuit het niets komt een creatieve bui in het hoofd van het genie en belandt op papier. In werkelijkheid gaat het er veel systematischer en geordender aan toe. Ook voor genialen als Brunelleschi was het dag en nacht werken.
Architectuurtheoretici Alexander Tzonis en Liane Lefaivre onderzochten het creatieve proces van genieën als Leonardo da Vinci, Le Corbusier en Santiago Calatrava. Zij lieten zien dat architectonische innovaties niet zomaar tot stand komen maar het resultaat zijn van veel onderzoek, trial-and-error en het bestuderen van precedenten. Bijvoorbeeld Da Vinci’s uitvinding van de hoekvormige vesting die voorgoed alle ronde bastions moest vervangen en waarin hij voor het eerst gebruik maakte van de techniek van perspectief tekenen om de banen van de kanonskogels te beschrijven. Daar waar géén kogel door de lucht vloog, tekende hij het gebouw: de beroemde stervormige plattegrond. Die vorm was al eerder bedacht maar nooit zo systematisch beredeneerd vanuit de logica buíten de bouwvorm. Helemaal niet ‘iets’ uit ‘niets’ maken, maar het logisch combineren van bestaande elementen.

Schets voor hoekvormig bastion, Leonardo da Vinci. Bron: Het architectonische denken, Lefaivre en Tzonis, 1982

Goed, van geniale architecten zijn er misschien een paar honderd geweest, de rest van de mensheid klooit maar wat aan. Maar dat klooien valt gewoon te leren. Jazeker, het veronderstelt enig ruimtelijk gevoel, maar verder bestaat ontwerpen vooral uit vaardigheden die je je eigen kunt maken. Alleen door de opgave nauwkeurig de analyseren, je te verdiepen in de context en te experimenteren met verschillende varianten, kan een geslaagd ontwerp tot stand komen. Dat wordt niet in één keer in je hoofd gevormd. Je moet verschillende tekeningen maken, neerleggen op tafel, over elkaar heen schuiven, durven benoemen wat er goed of verkeerd is en steeds verder gaan in het definiëren van de consequenties van een idee.

Voor studenten is het vaak lastig dat zowel hun tekenvaardigheden als hun kritisch vermogen en ‘innerlijke bibliotheek’ nog weinig ontwikkeld zijn. De opleiding vraagt om een ‘concept’ maar de student weet nog niet hoe je een badkuip tekent. De angst voor de witte bladzijde ontstaat dan niet zozeer uit onwil om harder te werken maar simpelweg uit gebrek aan inzicht wát te doen. Hoe ontwikkel je verschillende varianten, wat moet je analyseren, wanneer weet je of een idee goed genoeg is? Dan ontstaat er een soort schaamte over het eigen onvermogen, dat wordt gecompenseerd met krampachtig vasthouden aan dat éne idee (want als je dat weggooit heb je helemaal niets meer) en in het ergste geval frustratie dat de docent je niet begrijpt.

Het helpt studenten niet om architectonisch ontwerpen te zien als een ‘gave’ waarover je al dan niet beschikt. Architectonisch ontwerpen is een ‘vak’ waarvoor je studenten vaardigheden en gereedschap kunt meegeven. Als we ze meer onderwijzen over de geschiedenis van het ontwerpproces in plaats van het ontwerpresultaat voelen ze zich gesterkt in hun geploeter en kunnen ze daar zelfs met trots, in plaats van schaamte, over praten. Want tegen de angst voor de witte bladzijde bestaat uiteindelijk maar een remedie: méér tekenen.

**Ook het hierboven geschetste inzicht is door schade en schande tot stand gekomen…

Bron beeld Lucio Fontana: www.si.edu

 

Huis door de helft

Wie de afgelopen vijftien jaar ook maar iets met architectuur te maken heeft gehad, heeft ze voorbij zien komen: de halve huizen van Alejandro Aravena. Voor een sloppenwijk in de Chileense stad Iquique creëerde hij met een uitzonderlijk laag budget een woonwijk voor de allerarmsten. Met als unieke eigenschap dat de bewoners het halve huis zelf konden afbouwen. Aravena ontwierp met zijn bureau ELEMENTAL de aardbevingsbestendige basisvoorzieningen in de linkerhelft, de rechterhelft van de huizen liet hij steeds leeg. Resultaat: enorm inspirerende before-after plaatjes die de hele wereld over gingen. Aravena werd curator van de Biënnale in Venetië, won de Pritzker Prize en herhaalde het idee een aantal keer in Chili en Mexico. Tenslotte completeerde hij het concept van eigenaarschap en emancipatie door in 2016 de cadtekeningen online beschikbaar te stellen. Nu kan iedereen half-zelfbouw helemaal zelf bouwen.

Villa Verde, ELEMENTAL, 2013. Bron: Phaidon.com

Je kunt zo wat bedenkingen hebben. Allereerst over het nut van het project in Iquique, waarvoor een goed functionerende zelfgebouwde ‘sloppenwijk’ werd gesloopt. Wat is precies het verschil met voorheen? En als je dan toch aan het bouwen gaat, is het dan niet net zo makkelijk om deze kwetsbare doelgroep meteen een helemaal afgebouwd huis te geven?

De zelfbouwwijk in Iquique voor het project van Aravena. Bron: superstove.blogs.com

Ook kun je bedenkingen hebben bij de originaliteit van het idee. Half-zelfbouw is ook weer niet zo vernieuwend. John Habraken was zeer invloedrijk in de jaren zestig met zijn concept van de drager en inbouw: een ontworpen structuur waar mensen zelf invulling aan kunnen geven. Ook Yona Friedman tekende in die tijd veelvuldig aan zijn hangende structuren. Recenter en dichter bij huis werden naar idee van Frank Bijdendijk in Amsterdam de zogeheten Solids gerealiseerd: bestemmingsplanvrije gebouwcomplexen waar gebruikers het casco huren en verder zelf alles moeten inbouwen.

Yona Friedman. Bron: artibune.com

Waarom dan toch de immense aandacht voor de woningen van Aravena? Niet omdat het zo bijzonder is om van weinig geld een project te maken. Niet omdat zelfbouw zo uniek is. Maar misschien vanwege het briljante simplisme waarmee het conceptuele model vertaald is in architectuur. Hier geen complexe metalen constructies boven de straten van Parijs zoals bij Yona Friedman, maar hier ook geen onopvallend woonblok dat zich netjes voegt in het ritme van de straatwand, zoals bij de Solids. Hier staat het gebouw direct symbool voor het schema dat het representeert: de drager doen wij, de rest doe je zelf. Huis door de helft.

De half-zelfbouw projecten van Aravena zijn daarmee meer dan een intelligente oplossing voor betaalbare sociale woningbouw. Ze nodigen uit tot gedachten over het wezen van architectuur. Bijvoorbeeld: hoeveel moet je doen en hoeveel kun je loslaten. Kun je het gebouw openstellen voor invullingen die je als ontwerper niet bedacht hebt en misschien niet eens mooi vindt. Weliswaar geen nieuwe gedachten, maar wel uitzonderlijk helder tot uiting gebracht in de vorm van gerealiseerde gebouwen. Het is vrij uniek dat dergelijke ontwerpen niet veroordeeld bleven tot papieren architectuur.

De vervolgvraag is niet ver weg: wat zou er van dit concept worden wanneer het met veel budget voor een vermogende doelgroep werd uitgevoerd? Zou de afwisseling gebouw en niet-gebouw leiden tot een net zo divers beeld in materialiteit? Of zouden de vermogende bewoners met z’n allen een sjiek architectenbureau inhuren en een samenhangende gevel ontwerpen, waardoor de fijnmazige variëteit in het beeld zou verdwijnen? Stelt de ontwerper daar dan regels voor op of ondermijnt hij daarmee de basis van het idee?

Half-zelfbouw voor de rijke tweeverdiener…welke ontwikkelaar durft het aan?!

Cityvorming versus stadmaken

Kort verslag van het ontwerpatelier Re-Urb BXLNorth.

Wat te doen met een lege kantorenwijk midden in de stad? Een wijk die bestaat uit anonieme torens, brede autowegen, dichte plinten en monotone architectuur. Een wijk waar het station de enige plek is om een broodje te kopen. Een wijk waar na vijf uur ’s middags geen mens meer loopt, behalve de kamperende transmigranten in het park. Oftewel, wat te doen met de Noordwijk in Brussel, ooit ideaal van de cityvorming van de jaren zestig, nu symbool van het failliet van functiescheiding?
De toekomst van de Noordwijk is een complexe ontwerpopgave die op veel verschillende manieren kan worden benaderd. Want op welk schaalniveau hebben ingrepen effect? En via welke disciplines: fysiek, sociaal, programmatisch, landschappelijk? Moet er gesloopt worden of juist bijgebouwd? Over deze vragen bogen de studenten van de master stedenbouw aan de KULeuven zich gedurende een half jaar vanuit hun atelier in een van Brussels lege kantoortorens, onder de titel: Re-Urb BXLNorth.

Allereerst de vraag wat er eigenlijk is misgegaan met de Noordwijk. Het ‘Manhattanplan’ van 1967 verving rücksichtslos het historische stedenbouwkundig weefsel en de bestaande sociale structuren. Resultaat: een stuk stad dat zich kenmerkt door een extreem schaalcontrast en het ontbreken van een relatie met de omgeving. Voor ontwerpers van nu is het moeilijk te begrijpen wat ooit de beoogde kwaliteiten van het Manhattanplan zijn geweest. Monofunctionele kantoren, grootschalige infrastructuur, ongeprogrammeerd maaiveld en dichte plinten… het lijkt haast een karikaturaal rijtje schoolvoorbeelden van wat we nu ‘foute’ stedenbouw noemen. Maar het zijn juist deze elementen die de city moesten vormen. Cityvorming: een radicale totaaloplossing die de stad in één keer van verkrotting naar de moderniteit zou leiden; topdown, ongefaseerd, economisch gestuurd. Ook in Nederland kennen we hier voorbeelden van en de meeste zijn inmiddels getransformeerd, afgebroken of verdicht met flink wat woon- en publiek programma. Cityvorming is het absolute tegendeel van wat we tegenwoordig ‘stadmaken’ noemen, waar de nadruk ligt op gelaagdheid, co-creatie, beleving en duurzaamheid. Dat verschil toont zich expliciet in de manier van tekenen: de city werd ontworpen uit de axonometrie, het tegenwoordige stadmaken gebeurt op ooghoogte.

Tegen deze achtergrond analyseerden de studenten van Re-Urb BXLNorth de ruimtelijke en sociale eigenschappen van de Noordwijk: het gebruik van de publieke ruimte op verschillende tijdstippen, de korrelgroottes van de bebouwing, het materiaalgebruik, de programmatische diversiteit, de sociale organisaties die actief zijn in de wijk. De analyses zijn gebundeld in de collectief geproduceerde Atlas van de Noordwijk; een rijke basis voor het formuleren van ambities voor de wijk. In hun ontwerp zijn de studenten vervolgens op zoek gegaan naar de relatie tussen de zachte, dynamische kant van de stedenbouw (de samenleving en alle daarbij behorende toekomstscenario’s) en de harde, fysieke dimensie van stedenbouw: de stedelijke ruimte. Daarbij vormde het laatste boek van Richard Sennett, Building and Dwelling. Ethics for the city, een belangrijke leidraad.
De studenten kozen geen van allen voor volledige sloop-nieuwbouw van de wijk, maar eerder voor een mix van robuust-ruimtelijke ingrepen, programmatische diversiteit, differentiatie in korrel en zachte maatregelen. In ieder ontwerpvoorstel treedt de klassieke stedenbouwkundige vraag op de voorgrond: hoe krijgt de geformuleerde ambitie ruimtelijk gestalte? Welke kwaliteiten horen daarbij? Wat is de korrel, de bouwhoogte, de maat van de straten: oftewel wat is de relatie tussen wat Richard Sennett noemt de cité en de ville?

Het resultaat van Re-Urb BXLNorth bestaat uit dertien verschillende ontwerpvoorstellen voor de Noordwijk. Deze worden getoond op 8 januari 2019 in het Perspective.Lab in Brussel en zijn gebundeld in de publicatie Atlas van de Noordwijk.

Re-Urb BXLNorth kwam tot stand in samenwerking met Tine van Herck.
Bron beeld: www.civa.brussels/nl

De paradox van dingen regelen

Vooruit, nog één keer dan: God schiep de wereld, de Hollanders maakten Nederland en de Belg wordt geboren met een baksteen in de maag. Oftewel, de Nederlander bedrijft ruimtelijke ordening en de Belg bouwt architectuur. Architectuur? Dat zou je op het eerste gezicht niet vermoeden in het land van de Ugly Belgian Houses, waar het ontbreken van Welstandscommissies leidt tot ‘Belgische toestanden’. Maar inmiddels legt Nederland het pijnlijk af tegen het ambachtelijk architectonisch vernuft van de onze zuiderburen, zo bleek onder andere uit de gezamenlijke tentoonstelling Maatwerk twee jaar geleden in Frankfurt. SuperDutch is superdood.

De Vlaamse architectuur mag steeds interessanter worden, met de ruimtelijke ordening is het droevig gesteld. Maar daar wil Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck nu verandering in brengen. Met de documentairefilm Plannen voor plaats en de publicatie Antropocentrisme 2.0 toert hij momenteel door het land. Boodschap: we moeten nu stoppen België verder vol te bouwen voordat het bijkomende mobiliteitsprobleem onoplosbaar wordt en de natuur kapotgaat. Voor Nederlanders moeilijk voor te stellen dat een dergelijk pleidooi voor centraal gepland bouwen nodig is: langs dit discours wordt in ons land al honderd jaar compact gebouwd. Het binnenstedelijk verdichten zit diep in alle vezels van ons beleid verweven, met boekwerken aan beeldkwaliteitsplannen, stadsvisies, welstandsnota’s van dien.

Het uitdijen van Vlaanderen waartegen Leo Van Broeck ten strijde trekt, is rechtstreeks gevolg van de ruimtelijke politiek die sinds de jaren vijftig is gevoerd. Onder leiding van politicus De Taeye werden stimuleringsmaatregelen ingevoerd die het bouwen van eigen woningen voor burgers financieel zeer aantrekkelijk maakten. Terwijl Nederland sinds de Woningwet van 1901 bouwde aan collectieve woongebouwen om de binnensteden demografisch gemengd te houden, verhief Vlaanderen zijn volk door van iedere arbeider een huizenbezitter te maken: twee uitersten van ruimtelijk-sociale ideologie.

Maar nu moet België dus een beetje meer Nederland worden. Want de Nederlanders kunnen zo goed organiseren. Dat konden we tweehonderd jaar geleden ook al, toen België eventjes behoorde tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Onder aanvoering van koning Willem I hebben we tussen 1815 en 1830 naast talloze verharde wegen een stuk of wat enorme kanalen gegraven, gelijke munt en een uniform metrisch en juridisch systeem ingevoerd, en per ongeluk ook de beruchte taalstrijd veroorzaakt door van het Nederlands de verplichte onderwijstaal te maken. Dat soort ordeningsdrang krijg je de Vlaming nog niet zo gemakkelijke door de strot geduwd. België verklaarde zich prompt onafhankelijk en trok zich terug op z’n eigen kavel.

Architectonisch zijn de Vlaamse verkavelingen niet het bewijs dat particulier opdrachtgeverschap automatisch leidt tot kwaliteit, zoals voorstanders van het opheffen van de Nederlandse Welstandscommissies graag bepleiten. Maar Nederland is ook niet het bewijs dat centraal plannen automatisch leidt tot interessante architectuur. De keerzijde van al dat plannen, regelen en vastleggen is namelijk middelmatigheid: een bulk aan gebouwen die aan alle regels voldoen maar weinig opwindend zijn. Hoe goedbedoeld ook, het vastleggen van een kwalitatieve ondergrens verwordt in Nederland regelmatig tot de bovengrens aan vrijheid die de opdrachtgever z’n architect gunt. Tel daarbij op dat Belgische architecten juridisch een veel sterkere positie hebben dan de Nederlandse collega’s en het is geen wonder dat de Nederlandse architectuur zich minder vernieuwt.

Waar België veel kan leren van onze ruimtelijke ordening, is het voor Nederland interessant om zich af te vragen waarom de zuiderburen tegenwoordig zulke goede architecten zijn. Zijn de omstandigheden die de Ugly Belgian Houses mogelijk maken misschien wel dezelfde als die de Belgische architectuur de laatste decennia doen bloeien? Heeft goede architectuur misschien wel iets met loslaten te maken?
En wat wellicht ook bijdraagt: in Antwerpen hebben ze een Vlaams Architectuurinstituut. Zoiets stond er ook ooit in Rotterdam.

bron beeld: www.architect.be

 

Van de schildpad en de haas

‘Sommige dingen moeten gewoon snel worden gemaakt’, zei de Vlaamse architect Paul Robbrecht eens over zijn concertgebouw in Brugge. Prijsvraag winnen, ontwerp uittekenen, heien, bouwen en hup twee jaar later is het klaar: een knaloranje bakbeest in het fijnmazige historische centrum.

Vaak zien we het omgekeerde: dingen die langzaam tot stand komen hebben meer kwaliteit, zoals veel gebouwen in historische steden. Langzaam bouwen was geen bewuste keuze, maar een noodgedwongen gevolg van brand, blikseminslag, oorlog, instorting of lege kas. Dat zien we vrij expliciet bij de gotische kathedralen, waar toeristenbordjes in verschillende kleuren de bouwperiodes aanduiden die stuk voor stuk enkele generaties bloed, zweet en tegenslag representeren. Koor 1145, schip 1180, voorportaal 1215, brand 1293… en dan lag zo’n kerk er weer gewond bij. Maar een gewond gebouw bood ook kansen voor vernieuwing van de architectuur, niet in de laatste plaats omdat de verantwoordelijke bisschop, bouwmeester of beeldhouwer toch allang niet meer leefde. Veel kathedralen werden zo vergaarbakken van stijlen, ornamenten en bouwmethoden. Chartres kreeg na driehonderd jaar een totaal andere tweede toren en de kathedraal van Beauvais is nog steeds niet afgebouwd.

Die flexibiliteit heeft een enorme kracht: de mogelijkheid zich aan te passen aan nieuwe ruimtelijke behoeften, smaak en voorkeuren. Een onaf of gewond gebouw toont zich in z’n kwetsbaarheid, maakt dat je je er op een nieuwe manier toe kunt verhouden; het kan daarom van iedereen worden. 

Een andere kerk waar nogal lang over gedaan wordt, is de Sagrada Familia in Barcelona. Alleen daar leidt de onaffe situatie juist niet tot verandering van plannen. We proberen nu al honderd jaar lang precies het ontwerp van het wereldberoemde genie Antonio Gaudí voort te zetten door zo goed als het kan in zijn hoofd te kruipen. Bij de Sagrada Familia heeft de mate van onafheid geen enkele invloed op het ontwerp; verandering van inzicht is niet aan de orde. Straks is de kerk af en is zij voor altijd perfect, onaantastbaar en helemaal alleen van Gaudí. Nee, dan de Middeleeuwers, die waren tenminste flexibel. Zou de Sagrada Familia niet veel sterker zijn als zij nooit wordt afgebouwd?

Een onaf gebouw is leuk. Je kunt je ertoe verhouden, het draagt de belofte van verandering in zich, doet onverwachte dingen. En daarin lijkt een onaf gebouw wel wat op een extreem snel ontworpen gebouw. Zo snel ontworpen dat je niet alles in de hand hebt. Sneller dan de dienstdoende stedenbouwkundige kan beginnen over de principes van Jan Gehl, sneller dan de buurt bezwaren kan maken, sneller dan de bouwkosten gemoeid met lange bouwtijd, steigers en onderaannemers gecompenseerd worden met bezuinigingen op alles wat raar en overbodig is. Sneller dan de twijfel.

Concertgebouw Brugge

En dan maak je dus bijvoorbeeld een oranje bakbeest; een ruimtelijke ervaring die je niet eerder had, een gebouw zo lomp dat het alles kan hebben; een gebouw zo fascinerend dat je erbij wil horen. Een gebouw waarin niet alles tot in de puntjes is uitgedacht, waar niet elke beslissing volledig is doorgedacht of van tevoren voorzien. Dan krijg je restruimtes, onbestemde hoeken, vreemde trappen. Zo’n gebouw waar mensen met de tijd hun eigen invulling aan kunnen geven. Een gebouw dat zich door z’n enorme snelheid openstelt voor eindeloos trage aanpassingen. 

Misschien hebben extreem snel en extreem langzaam ontworpen gebouwen wel eenzelfde kracht.

Crooked timber 

Nehru Place: een informele markt in Dehli waar mobieltjes worden verhandeld, computers gerepareerd en Bollywood-filmboxes staan uitgestald. Het plein lijkt, zo beschreven, vooral een krioelende massa van sjacheraars en troepjes, maar voor socioloog Richard Sennett is Nehru Place exemplarisch voor de bruisende dynamiek van de grote stad: hier ontstaan creatieve start-ups, onverwachte ontmoetingen, nieuw manieren van ruimtegebruik.  Sennetts meest recente boek is één grote lofzang op de grote stad. Niet als Ideaalstad, maar als menselijke habitat met alle complexiteit, smerigheid en botsingen van dien. ‘Out of the crooked timber of humanity, no straight line was made’, zei Kant (ongetwijfeld niet in het Engels) en zo, zegt Sennett, is ook de stad crooked.

In Building and Dwelling. Ethics for the City (2018) buitelen de ideeën over elkaar heen: van stadssociologie, -filosofie en -wetenschap tot anekdotes uit Sennetts eigen ontwerppraktijk. Dat alles wordt opgediend in aangenaam gedoseerde hoeveelheden met één rode draad: de zoektocht naar het maken van een ‘open stad’.
De open stad zoals Sennett die definieert, biedt ruimte voor locale, spontane en zelforganiserende processen. Zoals in het Greenwich Village van Jane Jacobs, maar dan passend bij de schaal en het tempo van de huidige stedelijke vraagstukken. De miljoenensteden in China, de klimaatverandering, de wereldwijde migratie… die opgaven kunnen niet allemaal worden ontworpen op de microschaal van The Death and Life of Great American Cities, stelt Sennett. Maar hoe dan? Het antwoord daarop vindt hij in het begrip ‘open stad’.

Sennets open stad wordt vooral gemaakt met taal. Synchroniciteit, porositeit, asymmetrie, onvolledigheid, ambiguïteit en uitnodigen, zaaien, verwonderen, tegenspreken. Het is een mix van Hertzberger, Van Eyck, Jan Gehl en Robert Venturi, aangevuld met Alejandro Arivenna. Geen nieuwe inzichten, wel een inspirerende bundeling.
Maar concreet? De voorbeelden van een geslaagde open stad zijn bepaald niet bottom-up of lokaal georganiseerd. Het opschalen van Jane Jacobs neemt enorme vormen aan: denk aan de kabelbaan naar de sloppen van Medellín, de bibliotheken van diezelfde stad, de wateropgave van New Jersey. Wie lokale dynamiek een blijvende plek wil geven in de stad, heeft paradoxaal genoeg veel macht, mandaat en budget nodig.

Over hoe zo’n open stad eruit moet zien, doet Sennett geen uitspraken. Wel over hoe die er níet uit moet zien: Form-follows-function vindt hij niet in orde. Net zomin als de tegenhanger New Urbanism; allebei gesloten systemen die zich niet kunnen aanpassen of ontwikkelen in de tijd. Ook problematisch vindt hij de smaak van de middenklasse die houdt van een traditionele stijl. ‘The asymmetry between making a project of good design quality and inhabitants’ desire has to be resolved in some way.’ Maar zou sommige openheid er niet onopvallend, behoudend of onspectaculair uit kunnen zien?

Gelukkig kan ‘gesloten’ zich mettertijd wel transformeren tot open. Sennett looft het aanpassingsvermogen van de boulevards van Parijs en Berlijn en de blokken van Cerdà: van 19e eeuws bourgeois uitsluitingsprincipe naar 21e-eeuwse ontmoetingsplekken voor iedereen. Openheid kent vele gedaanten.
Misschien valt het pleidooi van Sennett daarom wel het beste te begrijpen vanuit de omkering: wie veel macht, mandaat en budget heeft, creëert absoluut niet automatisch een open stad. Hit-and-run-ontwikkelaars ontwerpen geen leefomgeving voor de lokale cultuur  maar een derivatenpakketje met wat vastgoed er in. Wie een open stad wil maken heeft behalve macht vooral een open blik en houding nodig. Een open houding voor zaken die nooit perfect coherent zijn en dat ook niet moeten zijn. Uit de botsingen tussen de geplande en geleefde stad, of, zoals Sennett het noemt, tussen ville en cité, ontstaat precies de gewenste schots-en-scheve stadsdynamiek van innovatie en emancipatie.

bron beeld: scaffmag.com

 

Vol en zat

Een lichte schroom bekruipt me als de metselaar uitlegt hoe je met een voegspijker de mortel uit moet krabben. Ben ik nou archi-tekt, de hoogste timmerman? De laagste zul je bedoelen. Mortel mengen, profielen uitzetten, de voegen borstelen, dat alles kan ik niet. Ik kan misschien wel in Autocad een Noors kettingverband uittekenen (hoewel het nog knap lastig kan zijn om daar goed uit te komen), maar ik weet niet wat dat allemaal betekent voor de dagelijkse werkzaamheden van de metselaar.
Tak! Met de troffel een steen doormidden geslagen. Ja, zo leg je een kop in een steensmuur. Maar probeer nu eens een drieklezoor in een rechte lijn af te tikken; ik sla alleen maar splinters. Na een uur zwoegen vertoont mijn eerste gemetselde muurtje onbedoelde krommen in alle richtingen en vallen er onverwachte gaten in de stootvoegen omdat ik niet ‘vol-en-zat’ heb gemetseld: voldoende specie tussen alle stenen.
Nee, metselen leer je niet in een achternamiddag. Herhaling, routine, automatisering. Net zolang totdat ‘de hand zelf gaat denken’, zoals socioloog Richard Sennett beschrijft in The Craftsman.

Tot in de 18e eeuw was het niet ongebruikelijk dat metselaars via een avondopleiding opklommen tot architect. Van handwerk naar hoofdwerk, met kennis van alle tussenliggende stappen. Sterker nog, die pragmatische kennis van architecten was soms zo vanzelfsprekend dat op tekeningen niet eens het metselverband hoefde te worden uitgetekend.
Tegenwoordig heeft een scherpe arbeidsdeling ervoor gezorgd dat ‘hoogopgeleide’ ontwerpers niet of nauwelijks weet hebben van het ambacht van ‘laagopgeleide’ vakmensen. En echte vakmannen zijn steeds moeilijker te vinden, hoor je overal. Bovendien doet de vreemde situatie zich voor dat er steeds meer ‘traditionele’ woningen worden neergezet die buitengewoon on-traditioneel zijn vervaardigd. Deze huizen kennen niet de bijzondere verbanden, voegen of beëindigingen van de architectuur waarnaar ze verwijzen, maar zijn gewoon halfsteens doorgejakkerd. Louter de aanblik van baksteen is kennelijk voldoende; hoe dat materiaal wordt toegepast doet niet terzake. Baksteen als behang. Daar is dus niet eens een gespecialiseerd vakman voor nodig.

Wat moeten we daar als ontwerpers mee? Ons verdiepen in baksteen natuurlijk! We hoeven niet per se de omgekeerde weg van onze 18e eeuwse collega’s af te leggen of minimaal 10.000 uur met de troffel in de hand door te brengen, maar we moeten wel weten hoe het metselwerk voelt, ruikt, klinkt, kapot gaat. Om er wat meer van te maken dan behang.
Bijvoorbeeld: Navoegen kan pas 14 dagen na het uitkrabben van de constructieve voeg. Die moet namelijk eerst uitharden, anders trekt het vocht er uit. Aanbrengen gaat met een voegbord; een soort dienblad waarmee je de mortel in de voeg schuiert en in dezelfde beweging aanduwt, van rechts naar links voor rechtshandigen. Voordeel: de mogelijkheid om de voegen in samenspel met het baksteenpatroon te ontwerpen via kleur, diepteligging en afwerking.
Je kunt de voeg ook doorstrijken. Met een klein rollertje ga je direct na het metselen langs de voeg, waardoor deze zo’n 2 cm dieper in de gevel komt te liggen. En klaar is de muur. Doorstrijken is twee weken sneller en goedkoper dan navoegen, maar voegt niks toe. 

Ontwerpcreativiteit staat niet los van de realiteit van de bouwplaats. Proporties van gebouwen, indeling van de gevel, plaatsing van de openingen, dat alles hangt samen met begrip van de kleinste module: de steen. Sinds de 18e eeuw zijn de architectuuropleidingen steeds verder gescheiden van de praktijkopleidingen in de bouw. Misschien moesten we dat toch eens heroverwegen.

Met dank aan de Masterclass Baksteen van de KNB op 20 september 2018.
Lees ook: ‘Hoe doe je dat eigenlijk?!’ Archined,  19.01.17

 

 

Voetbal in cadeaupapier

In een tijd van satellietfoto’s en GPS is het moeilijk voor te stellen hoe revolutionair de eerste wereldkaart moet zijn geweest: niet eerder was er een geografisch overzicht geweest van de totale oppervlakte van de aardbol. Allereerst moest even worden vastgesteld dat de aarde niet plat was. En toen kwam het vraagstuk van wat dan de juiste weergave van de aardbol op een platte kaart is. Ieder die wel eens een voetbal in cadeaupapier heeft moeten pakken, begrijpt de ingewikkeldheid van dit vraagstuk. Het past nooit, je houdt altijd stukjes over en het patroon van het papier raakt akelig vervormd.

Het was Gerardus Mercator die in 1569 de standaard zette voor de verdere ontwikkeling van dé wereldkaart zoals we die tot op de dag van vandaag gebruiken. Mercator plaatste een cilinder rondom een globe, waardoor hij de meridianen loodrecht op de breedtecirkels kon uitzetten. Deze uitvinding heet de Mercator-projectie. Het fysieke model van dit wiskundig probleem werd onlangs nagebouwd in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam.

Op basis van het systeem van Mercator maakten 17e-eeuwse cartografen zoals Abraham Ortelius, Joan Blaeu en Jodocus Hondius de eerste wereldkaarten. Deze waren samengesteld met behulp van verschillende bronnen zoals handelsroutes, kaarten uit de klassieke oudheid en locale jagers- en visserskaarten van over de hele wereld. Weliswaar niet zonder onjuistheden, maar toch een onvoorstelbare opening in het denken van de 17e-eeuwer: voor het eerst was zijn geografisch besef gerelateerd aan een overzicht.

Toch bestaat over de juistheid van de Mercatorprojectie tot op de dag van vandaag discussie; het pakpapier kan immers op verschillende manieren rond de voetbal gevouwen worden. De projectie is ideaal voor de scheepvaart, maar toont grote vervormingen hoe verder je van de evenaar komt. Groenland wordt bijvoorbeeld bijna 17 (!) keer groter weergegeven dan de reële oppervlakte van het land bedraagt. En waarom is noord eigenlijk boven, ligt Europa in het midden en de ‘knip’ in de Indische Oceaan? Het zonnestelsel kent toch geen absolute oriëntatie?!

De Dymaxion kaart kent geen boven of onder. Alle continenten zijn met elkaar verbonden in plaats van gescheiden door oceanen. bron: www.raremaps.com

In 1943 presenteerde uitvinder-architect Buckminster Fuller zijn Dymaxionmap, een op driehoeken gebaseerd vouwblad dat de oplossing bood voor dit soort vraagstukken. Met deze kaart kan de aardbol worden gevouwen tot een icosaëder: een regelmatig twintigvlak. Deze kaart kent een stuk minder vervormingen dan de Mercatorkaart. De continenten liggen niet gescheiden door oceanen maar aan elkaar geschakeld doordat de Noordpool in het ‘midden’ ligt. Uniek aan deze kaart is dat hij geen boven-en onderkant heeft, want de driehoeken kunnen op verschillende manieren ten opzichte van elkaar worden uitgevouwen. Een kaart met een politieke boodschap: er is niet één wereldkaart en we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Ook zeer politiek geladen is de oppervlaktegetrouwe Gall-Peterskaart. De vervormingen van de Mercatorprojectie zijn hierin gecorrigeerd, waardoor we Afrika bijvoorbeeld ineens in z’n ware grootte zien: veel groter dan we ooit dachten. Om deze reden verkozen sommige basisscholen in Engeland en de VS de kaart als onderwijsmateriaal: de westerse wereld beslaat maar een klein deel van de werkelijke aardoppervlak, is de boodschap. Maar ook de Gall-Peterskaart kent z’n nadelen. De totale oppervlaktes van de landen kloppen weliswaar, maar de absolute afmetingen zijn juist ernstig verstoord. Afrika lijkt hier twee keer zo lang als breed, terwijl in werkelijkheid deze afstanden ongeveer even lang zijn. Misschien wel geschikt voor het politiek besef van Engelse kindertjes, maar niet zo handig voor de zeevaart.
Wie een bol op een vlak projecteert blijft nou eenmaal problemen houden. Iedere weergave is gebaseerd op keuzes; een waardevrije afbeelding van het aardoppervlak bestaat niet.


beeld: 
Installatie in het Scheepvaartmuseum Amsterdam

 

 

Mozaïek van ruimtes

Italië: het paradijs van de drempelruimte. Op een willekeurig plein loop je via de zuilengang naar binnen door een poort. Dan een binnenhof, nog een poort, een paar treden en dan pas ben je binnen. Geen harde grens tussen openbaar en privé maar eerst een stukje onbestemd tussengebied. Arcade, loggia, zuilengalerij, veranda, atrium, hofje, balkon, binnentuin, patio, peristilium, buitentrap: het instrumentarium van de Italiaanse tussenruimte is rijk. Het is de zachte grens tussen buiten en binnen, privé en openbaar, controle en vrijheid. Of, wat Herman Hertzberger noemde: gebieden met verschillende gradaties van territoriale aanspraak. 

Onbestemd tussengebied is geweldig. Een goed gebouw heeft er veel van. Een luie trap, een atrium, een gang die twee keer zo breed is als Bouwbesluit; allerlei ruimtes die niet meetellen in de verkoop. Het voelt anders, je gedraagt je anders, je zoekt contact met de omgeving. Te veel onbestemd tussengebied, denk aan de eindeloze grasvelden van de naoorlogse strokenbebouwing, is alleen maar onbestemd. Het gebied moet wel ‘tussen’ blijven. Tussen het ene en het andere. Tussen het binnen en het buiten. 

Voor de architecten van de jaren zestig en zeventig was het duidelijk: voldoende van dit soort overgangsgebieden leiden tot een betere samenleving. Mensen kunnen elkaar leren kennen, voelen zich eigenaar van de plek, nemen verantwoordelijkheid over het beheer. In  Steden vol ruimte levert Rudy Uytenhaak een interessante kritische noot bij het werk van Hertzberger: ‘Om de kans op ongewenste ontmoetingen en onderlinge irritaties zo klein mogelijk te maken houden wij de semi-openbare route in onze gebouwen zo kort mogelijk. Herman Hertzberger en Le Corbusier stimuleerden onderlinge ontmoetingen in hun woongebouwen juist. […] Zo’n benadering, romantisch aantrekkelijk, kan eigenlijk alleen echt werken als de doelgroepen precies gedefinieerd en min of meer verwant zijn.’

Uytenhaak is net als Hertzberger een architect die ontwerpt vanuit de mensen en het gebruik. Hun verschil in opvatting over de gang illustreert treffend de steeds veranderende dynamiek tussen gebruikers en gebouwde omgeving. Niet het gebouw, maar het tijdperk verandert. Het optimisme van een samenleving waarin de gedeelde ruimte (letterlijk en figuurlijk) zo groot mogelijk moest zijn, heeft plaats gemaakt voor de realiteit van de metropool waarin ‘anonimiteit’ een kwaliteit is in plaats van een tekortkoming. Niet iedere ontmoeting is altijd maar wenselijk. 

Er bestaat dan ook niet zoiets als een absolute relatie tussen gebouwde omgeving en betekenis. Deze verandert continu, omdat de samenleving continu verandert. De intentie waarmee een gebouw is neergezet kan haar betekenis verliezen. Het tegenovergestelde gebruik blijkt er ook in te huisvesten en gebouwen blijken ook een hele andere betekenis te kunnen krijgen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Ruimtes hebben geen absolute, intrinsieke betekenis. Groot is niet per definitie moderner dan klein. Laag is niet per definitie menselijker dan hoog. Open is niet per se democratischer dan dicht. Irritant toch, als ontwerper voor een leeg vel papier. Je hebt lang nagedacht over een visie op de maatschappij en dan wil je dat daar als vanzelf de juiste vorm uit voortvloeit. Of andersom: je hebt naar beste vermogen al je intuïtie en artisticiteit ingezet om iets prachtigs te maken en dan blijken alleen dictators interesse in je ideeën te hebben.

En dan is het een kleine denkstap om te stellen dat ruimtes maar beter een niet-betekenis moeten hebben. Is het dan niet toekomstbestendiger om een zo neutraal mogelijke omgeving te maken die ruimte biedt aan alle kenmerken van de moderne conditie? Ruimtes zo neutraal, zo open en transparant dat ze überhaupt niks kunnen betekenen? Spaces of flows: ‘Het is een architectuur van de stilte, maar die juist daardoor het vermogen heeft om de moderne stedeling drempelloos in contact te brengen met de ontregeling, de chaos en uiteindelijk ook de eenzaamheid die onherroepelijk vastzit aan de space of flows als exemplarische situatie van onze moderne ervaring.’ Aldus Ed Taverne in het essay ‘Drempelloze Stedelijkheid’ (1998) over de spaces of flows van Manuel Castells.  Van een architectuur die de samenleving zou moeten vormgeven, naar een zwijgend grens-loos stedelijk interieur. Van de continue ontmoeting naar de vrijheid om anoniem te zijn, metropolitaan te leven, snel en geruisloos te bewegen en vooral met velen te zijn.

Inmiddels is de interesse in de architectuur van de flows weer een beetje getemperd. De moderne conditie is een betekenis die momenteel wat minder wordt gezocht in de stad. De nieuwe opgaven richten zich op binnenstedelijke verdichting, klimaatadaptatie, veranderende demografie. En dat lijkt gepaard te gaan met een hernieuwde interesse in de grenzen tussen binnen en buiten, collectief belang en individu, de ontmoeting en de betekenis van ruimtes. Alleen noemen we dat nu inclusiviteit, resilience, way-finding of identiteit. Het zou best eens kunnen dat het bijpassende instrumentarium zich daarbij opnieuw richt op het ‘mozaïek van ruimtelijke relaties’, om met Hertzberger te spreken, een instrumentarium dat net zo rijk aan ingrediënten is als de Italiaanse drempels.

 

 

Lush… met mate

Wie ooit in de Baarsjes heeft gewoond, blijft altijd een beetje verslaafd aan die expressionistische baksteenarchitectuur van de late Amsterdamse School. Die architectuur is natuurlijk op veel meer plekken in de stad te zien. Maar in de Baarsjes heeft het de juiste dosering.

Terwijl Berlages Plan Zuid wereldberoemd werd, bleef Plan West relatief onbekend. Onterecht. Plan West vormt inderdaad niet een iconische nieuwe structuur zoals Plan Zuid met z’n driehoekige vorm, maar volgt braaf het slootjespatroon van de oorspronkelijke buurgemeente Sloten. Het is wat lager, niet de 5 lagen met kap van Zuid, maar gemiddeld 4. Het is, heel klassiek, bedacht vanuit een plein: het Mercatorplein met z’n herkenbare torens vormt het centrum van de wijk. Vanuit daar verbinden lange assen het plan met de rest van de stad. In de tussengelegen straten liggen allerlei kleinere pleintjes, onopvallend, losjes, nauwelijks herkenbaar op de schaal van de hele stad. Het plan schreeuwt niet, maar het weeft de stad aan elkaar. Dit is een stuk stedenbouw waarmee je als beginnend ontwerper waarschijnlijk geen prijsvraag wint. Daarvoor is het te bescheiden. Berlage, Van der Mey, Staal, Roodenburgh en consorten waren dan ook bepaald geen onbekenden toen Plan West in 1922 werd gepresenteerd.

Hoe ontstond zo’n plan in die tijd? Bedacht het stadsbestuur gewoon dat die weilanden een woonwijk moest worden? Welnee, public-private-partnership bestond 100 jaar geleden ook al. Het was bouwondernemer Heere van der Schaar die initiatief nam om de nieuwe wijk van 6000 (!) woningen te realiseren. Van der Schaar had eerder al met Plan Zuid 2000 woningen ontwikkeld en de gemeente ging akkoord met de annexatie van gemeente Sloten, onder voorwaarde dat de beroemde Berlage wederom hoofdarchitect van het project zou worden. Vanuit de gemeente werden een sterk team aangesteld om de uitbreiding één stedenbouwkundig geheel te laten vormen. Hoofdontwerper van Publieke Werken Hulshoff en de architecten Gratama en Versteeg vormden het driemanschap dat we nu een ‘supervisoren-team’ of ‘kwaliteitscommissie’ zouden noemen; alle drie leerlingen van Berlage. Deze commissie had niet een toetsende functie, zoals de Welstandscommissies van nu, maar een ontwerpende, sturende rol. Zo werd Plan West ontworpen vanuit een samenhangend ensemble van straatwanden, pleinen en hoogteaccenten. Standaardplattegronden en een standaardpalenplan voor de hele wijk vergrootten het tempo van de hele operatie tot in een monsterprestatie. De 6000 woningen waren in 4 jaar tijd gebouwd.

Strenge architectonische regels waarmee een volledig stedenbouwkundig ensemble wordt vormgegeven zie je tegenwoordig niet veel in stadsontwikkeling. Beeldkwaliteitsplannen doen in algemene zin uitspraken over kleur- of materiaalgebruik, alleen komt dat meestal niet tot uiting in het ensemble maar in het individuele pand, waarbij liefst iedere daklijn net 50cm verschilt van de buurman. De bedoeling hiervan is natuurlijk om de eindeloos doorgestempelde tunnelbekistingen te voorkomen, maar het is de vraag of je daarmee de beoogde visuele rijkdom creëert.

Plan West. Bron: amsterdamse-school.nl

We zien aan de Baarsjes, net als aan andere wijken van de Amsterdamse School, dat een ontwerpbenadering vanuit het silhouet van de straatwand helemaal niet hoeft te leiden tot eentonige horizontaliteit. De visuele rijkdom bevindt zich enerzijds op niveau van het ensemble: zoals langgerekte erkers langs een deel van de straat, en anderzijds op een detailniveau: brievenbussen, deurknoppen, wulps uitstekende erkers, veranderende metselverbanden. Maar juist de dak- en rooilijnen liggen vast en er is geen enkele uitdrukking van de individuele woning: je zou kunnen stellen dat er stedenbouwkundig tamelijk weinig gebeurt. Terwijl we weten dat zich achter de gevels exact dezelfde woningplattegronden bevinden, wacht iedere 10 meter wel een nieuwe verwondering op straat. Het veranderend beeld is geen uitdrukking van programmatische verschillen, maar compositorisch samengesteld, als pictoreske ervaring van de wandelaar op straat. In de tussenruimte bevindt zich de visuele/ruimtelijke kick van de weelderigheid.

In Plan Zuid kan zelfs een getrainde architect nog altijd verdwalen: driehoekvormige stratenplannen zijn verwarrend. Net als een vijfhoekig park, zoals Kevin Lynch beschreef in zijn studie naar Boston in Image of the City. De Boston Common was voor veel tekenaars van zijn mental maps  een enorme hersenkraker: dat het een vijfhoekige vorm had, daar waren weinig mensen zich van bewust. De lol van de Baarsjes is juist de combinatie van die weelderige architectuur met relaxte stedenbouw. Iedere tweede straat een klein pleintje, accentuering van hoeken en vooral heldere oriëntatie op de grote assen. De weldaad wordt zo precies geen overdaad.

 

Googlemapistan

Wat heeft Google Maps toch een radicale vernieuwing gebracht in het verschijnsel kaart. Niet meer een uitvouwbaar stuk papier met een detailbeschrijving van een klein stukje land, maar alle kaarten van de hele wereld aan elkaar vastgeplakt, grenzeloos. Niet meer een vast schaalniveau bijvoorbeeld, 1:50.000 of 1: 200.000, maar eindeloos in-en uitzoomen tot je er duizelig van wordt. Van kleinste landweg tot de wereld alleen nog maar een hemellichaam is. Stadsplattegronden, wegenkaarten, geologische reliëfs en zelfs historische kaarten: alle informatie uit de hele Bosatlas bij elkaar gestopt en op elkaar gelegd in één krankzinnig simpele applicatie.

De ambitie van waaruit een project als Google Maps kon ontstaan is niet anders dan die van de 17e eeuwse Hollandse kaartenmaker Joan Blaeu, de 16e eeuwse Jacob van Deventer of inderdaad…de Bosatlas. Grote, encyclopedische projecten met als doel alles bij elkaar te brengen. En dat leidt tot fantastische projecten. De kaarten van Blaeu zijn wereldberoemde kunstwerken. De stadsplattegronden van Jacob van Deventer idem dito. Maar dat alles bij elkaar brengen… wanneer heb je voldoende in kaart gebracht? Waar eindigt het detailniveau waarop je de werkelijkheid wilt weergeven? Jorge Luis Borges schreef in Up to date naturalisme over een land waar het maken van kaarten de nationale hobby werd: “In dat Rijk bereikte de cartografiekunst zo’n graad van Perfectie, dat de Kaart van één enkele Provincie de ruimte van een hele stad besloeg, en de Kaart van het Rijk, een hele Provincie. Mettertijd voldeden deze Mateloze Kaarten niet en de Colleges van Cartografen brachten een Kaart van het Rijk uit, die de Afmeting van het Rijk had en op elk punt hiermee overeenstemde.”
Het heeft iets angstaanjagends: een kaart die de omvang van het gebied zelf aanneemt. De 1:1 kaart van de wereld of misschien nog griezeliger, een kaart die larger than life de wereld representeert. Hoe zou een 2:1 kaart van het land eruit zien?

Blaeu en van Deventer wisten natuurlijk heel erg goed waar te stoppen: op het moment dat je geen leesbare kaart meer krijgt. De kern van het vak kaarten maken is analyse en reductie van geografische informatie en het samenstellen van een goed ogend, leesbaar geheel. Het in-en uitzoomen van Google zorgt ervoor dat je niet hoeft te stoppen met het toevoegen van informatie. En dan kom je waarachtig terecht in het Rijk van Borges. Googlemapistan: het land waarvan de kaart even groot is als het land zelf. Maar hoe nuttig is het eigenlijk om deze mate van objectiviteit en realisme in kaart te brengen? Als encyclopedie en routeplanner: enorm. Om zomaar de stadsplattegrond van een onbekend plaatsje in bijvoorbeeld Colombia te kunnen bekijken: ongekend. 

Maar als ontwerper is de kaart waar alles in getekend staat compleet nutteloos. De ontwerper wil informatie kunnen organiseren, enerzijds door te analyseren wat er is, anderzijds door interessante kaartlagen samen te brengen en nieuwe verbanden aan te leggen. De ontwerper interpreteert om zo tot nieuwe inzichten te komen. Zoals bijvoorbeeld de beroemde kaart van Giambattista Nolli, waarin de kerken net zo werden geïllustreerd als pleinen: openbare ruimte. Het voordehandliggende onderscheid tussen openbare ruimte en dicht volume verdwijnt en een nieuw perspectief op de beleving van de stad ontstaat. Analysekaarten kunnen leiden tot ontwerp; zo leveren bijvoorbeeld de gecombineerde kaartlagen van stilte en zon de ideale ontwerplocaties voor speeltuinen of parken. En diezelfde kaart vertelt ook waar je het hardrockcafé zou kunnen landen: op plekken van lawaai en schaduw.

Google Maps: het summum van alle kaarten, de kaart waarna nooit meer een kaart hoeft te worden gemaakt… vanuit ontwerpperspectief is het pas het beginpunt. 

 

Hoogbouwstad

De meeste grote steden in Europa kenmerken zich door een silhouet dat we niet bij eerste aanblik kunnen identificeren. Is het Frankfurt, Moskou of London…ze zijn alle hoog, overweldigend en divers van vorm. Herkenning van de stad komt eerder van de individuele gebouwen dan van het ensemble als geheel. Hé, dat bekende gebouw van Norman Foster; dat moet dus London wel zijn. Hoogbouwsteden hebben in hun geheel geen aparte afleesbare identiteit. Juist in verscheidenheid aan kleur, materiaal en stijl lijken ze vaak op elkaar. Hoe definieer je de herkenbaarheid, het unieke karakter van een stad in tijden van de internationale architectuur van de wolkenkrabber?

Met The City of the Captive Globe (uit: Delirious New York, 1978) illustreerde Madelon Vriesendorp het ideaalbeeld van de kapitalistische vormgegeven Amerikaanse stad:een strak stedenbouwkundig grid waarna de architectuur alle kanten op kan.
De captive globe beschreef een haarscherpe scheiding tussen de disciplines stedenbouw en architectuur. De Amerikaanse stadsplanning vormde dan ook het radicale tegengestelde van de Europese traditie van grootschalige stadsuitbreidingen, waarin stedenbouw en architectuur in samenhang werden ontworpen. Stratenplan, bouwhoogtes, materialisering, woninggroottes, programma, etc… de plannen van bijvoorbeeld Haussmann, Cerdà en Berlage waren planologie, stedenbouw en architectuur in één.

Het voordeel van de grote Europese stadsuitbreidingen was een duidelijk herkenbare identiteit voor het gebied. Niet alleen letterlijk in materialisering en stijl, maar ook in culturele betekenis: architectuur en stedenbouw waren onlosmakelijk verbonden aan de ideologie die de achterliggende gedachte vormde van het plan. Haussmann wilde van de groeiende Parijse economie een wereldstad voor de bourgeoisie maken; Berlage wilde van de groeiende Amsterdamse economie een eerlijke stad voor iedereen maken. Daarin werden expliciete keuzes voor vormentaal en materiaal gemaakt die tot op de dag van vandaag de identiteit van een heel stadsdeel bepalen. Parijs = zandsteen en zinken daken. Amsterdam Zuid = wulpse baksteen. 

Nadeel van zulke integrale grootschalige plannen is dat het gruwelijk mis kan gaan. Niet in de laatste plaats om ‘trauma’s’ zoals de Bijlmermeer heeft het integrale masterplan zijn populariteit verloren. Planologie, stedenbouw, architectuur zijn in de huidige ontwerppraktijk gescheiden disciplines en komen achter elkaar in plaats van tegelijkertijd. Zo’n beetje volgens de ideologie van de captive globe. Eerst het stedenbouwkundig grid, dan de architectonische uitwerking. Hoewel…toch ook weer niet helemaal. Het ‘grid’ is tegenwoordig behoorlijk strak gedefinieerd via uitgebreide stedenbouwkundige ontwerpregels, die voor elke stad weer anders zijn.

Anti-refridgerator-look-rule, Alex Lehnerer

In het boek Grand Urban Rules (2009) bundelde architect Alex Lehnerer een verzameling van wereldwijde ontwerpregels voor steden. Het boek geeft een prachtig inzicht in de gereedschapskist van de moderne stedenbouwkundige: het ‘grid’. Welke vrijheid geef je aan de architectuur van het individuele gebouw? Opvallend veel regels gaan over de relatie van gebouwen in hun context: het uitzicht op de bergen (Vancouver, HongKong), de maatverhouding ten opzichte van andere gebouwen; de beëindiging van gebouwen aan de lucht (anti-refridgeratorlook-rule). Conclusie: de hoogbouwstad moet niet enkel een collectie van iconische projecten op een podium zijn; maar kan ook een samenhangend ruimtelijk ensemble vormen waarin het ouderwetse begrip ‘stedelijk weefsel’ een belangrijke rol speelt. 

Ergens tussen de uitersten met aan de ene kant de captive globe en aan de andere kant Berlage en Haussmann bevindt zich de ontwerpopgave voor de moderne hoogbouwstad. De ruimtelijke samenhang tussen gebouwen, de enscenering, de ritmiek van de stad, het onderscheid tussen terughoudende en opvallende architectuur en het ensemble van laag-midden-hoogbouw: al deze stedenbouwkundige vraagstukken spelen evengoed in de traditiononele Europese stad, als in de hoogbouwstad. De stricte scheiding van architectuur en stedenbouw is voor deze opgave een slecht idee; juist in de samenhang van deze disciplines kan het unieke karakter van een stad zich manifesteren.